Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6639

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
23-02-2012
Zaaknummer
11-2530 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Indien een deskundige is ingeschakeld en deze een vraag van de rechtbank niet beantwoordt, zal de rechtbank vervolgens dienen te bezien of, en zo ja op welke wijze, zij tot een beslissing van het desbetreffende geschilpunt kan komen. Als zij tot het oordeel komt dat een nadere vraagstelling aan de desbetreffende of een andere deskundige niet nodig is, omdat zij voldoende materiaal daartoe tot haar beschikking heeft, staat er geen rechtsregel aan in de weg dat de rechtbank dat geschilpunt beslist aan de hand van dat materiaal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2530 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2011, 09/2126 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 22 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Hanenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hanenberg. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv van 19 mei 2009. Bij dit besluit heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit om appellants uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 13 januari 2009 te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.2. De rechtbank heeft haar oordeel gebaseerd op de bevindingen en conclusies van de door haar geraadpleegde deskundige E.F. van Ittersum, psychiater. De deskundige kon zich verenigen met de weergave van de medische beperkingen van appellant voor het verrichten van arbeid, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 7 november 2008. Over de inhoud van de functies die het Uwv voor appellant geschikt heeft geacht, als voorbeelden van gangbare arbeid, heeft de deskundige zich niet uitgelaten. Hij acht zich daartoe niet in staat aangezien hij niet is opgeleid tot arbeidsdeskundige of verzekeringsarts. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat appellant op de datum in geding, 13 januari 2009, in ieder geval drie van de vier van de aan hem voorgehouden functies gedurende vier uur per dag en twintig uur per week kon vervullen en dat de mate van arbeidsongeschiktheid door het Uwv met juistheid is vastgesteld.

2. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat zijn huisarts en behandelend psycholoog hem daarin steunen. Voorts is hij van opvatting dat de rechtbank zich ten onrechte op het deskundigenbericht heeft gebaseerd nu de deskundige zich alleen heeft uitgelaten over de juistheid van de medische beperkingen en de vragen van arbeidskundige aard niet heeft beantwoord. Appellant heeft voorts zijn grief herhaald dat het rapport van de deskundige feitelijke onjuistheden bevat. Ten slotte heeft appellant bij brief van 23 december 2011 nog meegedeeld dat zijn huisarts zich niet correct geciteerd acht door de deskundige.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling van de aangevallen uitspraak.

3.1. De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank en haar daarop gebaseerde oordeel. Hetgeen in hoger beroep door appellant is aangevoerd biedt de Raad geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juiste weergave van de beperkingen van appellant in de FML. Appellant heeft zijn stelling dat hij meer beperkt is en dat hij volledig arbeidsongeschikt is niet onderbouwd met medische gegevens die een ander licht werpen op zijn gezondheidssituatie per 13 januari 2009 en de daaruit voortvloeiende mogelijkheden om arbeid te verrichten. Die gegevens ziet de Raad niet in de brief van appellant van 23 december 2011 nu deze niet vergezeld is gegaan van een schriftelijke verklaring van de huisarts zelf.

3.2. Voorts volgt de Raad appellant niet in zijn standpunt dat de rechtbank de bevindingen en conclusies van de psychiater Van Ittersum niet had mogen volgen nu deze in zijn rapport van 11 oktober 2010 en in de aanvulling van 29 november 2010 de vragen met betrekking tot de arbeidskundige kant van de schatting niet heeft beantwoord. In schattingszaken ook die waarin geen deskundige wordt ingeschakeld, dient de bestuursrechter zich, als de beroepsgronden daarop zijn gericht of geacht moeten worden te zijn gericht, een oordeel over de geschiktheid - medisch en anderszins - van de geduide functies te vormen aan de hand van de gedingstukken, waaronder de arbeidskundige rapporten. Indien een deskundige is ingeschakeld en deze een vraag van de rechtbank niet beantwoordt, zal de rechtbank vervolgens dienen te bezien of en zo ja op welke wijze zij tot een beslissing van het desbetreffende geschilpunt kan komen. Als zij tot het oordeel komt dat een nadere vraagstelling aan de desbetreffende of een andere deskundige niet nodig is omdat zij voldoende materiaal daartoe tot haar beschikking heeft, staat er geen rechtsregel aan in de weg dat de rechtbank dat geschilpunt beslist aan de hand van dat materiaal. De rechtbank heeft de bedoelde functies klaarblijkelijk aan de hand van de gedingstukken uitdrukkelijk beoordeeld. Van de zijde van appellant is niets aangevoerd dat leidt tot twijfel aan de juistheid van de overweging van de rechtbank daarover. De Raad onderschrijft dan ook hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. In het zojuist overwogene ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om alsnog een onafhankelijk arbeidsdeskundige te benoemen, zoals door appellant verzocht.

3.3. Hetgeen appellant heeft aangevoerd met betrekking tot feitelijke onjuistheden in het rapport van de deskundige vormt in essentie een herhaling van hetgeen appellant ook in beroep bij de rechtbank naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft, oordelende dat eventuele feitelijke onjuistheden in het licht van het gehele rapport onvoldoende afdoen aan de conclusies van de deskundige, onmiskenbaar tot uitdrukking gebracht dat de wezenlijke onderdelen van het deskundigenrapport niet worden aangetast door - door appellant als zodanig aangeduide - feitelijke onjuistheden. Daarmee heeft zij genoegzaam gemotiveerd waarom deze klacht van appellant geen doel treft. De Raad onderschrijft ook op dit punt de overwegingen van de rechtbank.

3.4. Gelet op 3.1 tot en met 3.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

3.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) Z. Karekezi.

KR