Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6615

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
23-02-2012
Zaaknummer
10-2446 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot verlenging van de termijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 29b van de Ziektewet. Het Uwv heeft op goede gronden het standpunt ingenomen dat in het geval van de werknemer - weliswaar met behulp van medicatie - sprake is van een zodanige beheersbare aandoening dat er ten tijde van belang geen sprake was van een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsschade.

Wetsverwijzingen
Ziektewet 29b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2446 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [verstigingsplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 18 maart 2010, 09/1763 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),

Aan het geding in hoger beroep heeft tevens [werknemer], wonende te [woonplaats] (de werknemer) als partij deelgenomen.

Datum uitspraak: 22 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2011. Namens appellante is verschenen mr. drs. D.W.M. Weessie, bijgestaan door M.P.J. Dekkers. Tevens is ter zitting verschenen de werknemer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Werknemer, die tot eind juli 2001 als spuiter in dienst is geweest van appellante, heeft zich eind augustus 2001 vanwege klachten als gevolg van de ziekte van Crohn arbeidsongeschikt gemeld. Hij is met ingang van 28 augustus 2002, in aansluiting op de wachttijd van 52 weken, niet in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, omdat hij niet arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van deze wet. In een arbeidskundig rapport van 4 januari 2002 is vastgesteld dat hij als arbeidsgehandicapte in de zin van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten moest worden aangemerkt.

1.2. Op 1 juli 2004 is de werknemer opnieuw bij appellante in dienst getreden. Bij brief van 9 juni 2009 heeft appellante aan het Uwv verzocht de termijn van vijf jaar als bedoeld in artikel 29b van de Ziektewet (ZW) te verlengen. Bij besluit van 17 juli 2009 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen.

2. Bij besluit van 19 oktober 2009 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 17 juli 2009 ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft verwezen naar het in artikel 20 van het Reïntegratiebesluit (Besluit van 2 december 2005 tot vaststelling van een algemene maatregel van bestuur houdende regels met betrekking tot reïntegratie, Stb. 2005, nr. 622) opgenomen criterium voor verlenging van de termijn van vijf jaar van artikel 29b van de ZW, inhoudende dat vóór afloop van deze termijn de ziekte of het gebrek dan wel het aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten nog bestaat. In aanmerking genomen dat voormeld artikel 20 overeenstemt met artikel 8 van het voordien geldende Arbeidsgehandicaptenbesluit (Besluit van 20 juli 1998, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van een arbeidshandicap als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten, Stb. 1998, nr. 488) heeft de rechtbank met verwijzing naar de Nota van Toelichting op dit besluit overwogen dat niet uitsluitend moet worden beoordeeld of er sprake is van een progressief verlopende ziekte, maar dat ook moet worden bekeken of vanwege een sterk wisselend ziektebeeld wordt voldaan aan het criterium “aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten”.

3.2. Gelet op de uitgebrachte rapportages van de (bezwaar)verzekeringsarts was de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat in het geval van de werknemer - weliswaar met behulp van medicatie - sprake is van een zodanige beheersbare aandoening dat er ten tijde van belang geen sprake was van een aanzienlijk verhoogd risico op ernstige gezondheidsschade.

4.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 13 oktober 2009 ook naar het oordeel van de Raad overtuigend uiteengezet dat gelet op het in de toen afgelopen jaren relatief rustig klinische beloop van het ziektebeeld, een ernstig invaliderend beloop in de toekomst niet viel te verwachten. Dat hierbij in dat rapport wordt gesproken van het risico van gezondheidsschade en niet van gezondheidsklachten duidt slechts op een objectivering van het hier te hanteren criterium, maar niet op een verschil in beoordeling.

4.2. De Raad onderschrijft verder het door het Uwv ingenomen standpunt dat de in voormelde Nota van Toelichting opgenomen opsomming van aandoeningen, die wel of niet onder voormeld criterium vallen, niet doorslaggevend is, nu het volgens deze toelichting gaat om het biologische beloop van de ziekte. Dit is in het medisch onderzoeksverslag van 14 juli 2009 ook beschreven, met als conclusie dat niet kon worden gesproken van een ernstige aandoening met sterk invaliderende gevolgen. Dat de werknemer zich in het verleden niet snel heeft ziek gemeld, betekent verder niet dat de bezwaarverzekeringsarts dit beloop van het ziektebeeld niet mocht betrekken bij de toetsing aan meerbedoeld criterium. De in hoger beroep nog overgelegde brief van 8 juli 2010 van de behandelend specialist doet, zoals de bezwaarverzekeringsarts in een commentaar van 29 juli 2010 heeft gesteld, niet af aan het kader en de criteria waarbinnen de verzekeringsgeneeskundige beoordeling dient plaats te vinden.

4.3. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) N.S.A. El Hana.

EK