Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6614

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
23-02-2012
Zaaknummer
11-73 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De door appellant in hoger beroep aangevoerde medische gronden vormen een herhaling van de gronden die hij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen op basis van dossierstudie en eigen onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat daarvan gemotiveerd en op inzichtelijke wijze is gerapporteerd. Gelet op de beschikbare medische informatie, is er dan ook geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat de beperkingen van appellant op de datum in geding zijn onderschat. Geschiktheid functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/73 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 november 2010, 10/2200 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 22 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Strijbosch. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant, vroeger werkzaam als groepsleraar op een basisschool, is sedert 1991 door de rechtsvoorganger van het Uwv een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk sinds 1 januari 1998 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) is appellant op 16 december 2008 onderzocht door verzekeringsarts P.M. Jacobs, die appellant op grond van de geobjectiveerde gezondheidsproblematiek beperkt achtte in zijn algehele belastbaarheid. De beperkingen heeft de verzekeringsarts vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 18 december 2008. Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de arbeidsdeskundige M. van Rijbroek een aantal functies geselecteerd, die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellant en waarmee het verlies aan verdiencapaciteit is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 21 april 2009 aan appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering met ingang van 22 juni 2009 naar die klasse wordt herzien.

1.3. Bij besluit van 21 september 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 april 2009, onder verwijzing naar rapportages van bezwaarverzekeringsarts P.M.A. Lezaire van 4 september 2009 en van bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde van 16 september 2009, ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts afdoende heeft toegelicht dat appellant niet voldoet aan de criteria voor het aannemen van een situatie waarin sprake is van het ontbreken van duurzaam benutbare mogelijkheden in de zin van artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en gaat zij dan ook uit van de beperkingen, zoals vastgelegd in de FML. Nu in beroep geen arbeidskundige gronden zijn aangevoerd, heeft de rechtbank ook in dat opzicht geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit.

3. In hoger beroep heeft appellant, onder verwijzing naar hetgeen hij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, gesteld dat ten aanzien van hem onjuiste (niet ver genoeg gaande) medische beperkingen zijn gesteld en dat hem mitsdien functies zijn geduid die niet passend zijn te achten. Voorts handhaaft appellant zijn standpunt dat er informatie had dienen te worden ingewonnen bij de behandelend sector.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.1. De door appellant in hoger beroep aangevoerde medische gronden vormen een herhaling van de gronden die hij reeds in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. De Raad onderschrijft het ter zake gegeven oordeel door de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen op basis van dossierstudie en eigen onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat daarvan gemotiveerd en op inzichtelijke wijze is gerapporteerd.

4.2. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, onder andere in zijn uitspraak van 20 januari 2010, LJN BL0100, mag een verzekeringsarts in beginsel op zijn eigen oordeel varen en is dit slechts anders indien er een ingezette behandeling is die een beduidend effect zal hebben op de mogelijkheden tot het verrichten van arbeid of indien bij de behandelaar een beredeneerd afwijkend oordeel bestaat over de beperkingen van betrokkene. De Raad stelt vast dat een dergelijke situatie zich hier niet voordoet, nu appellant op de datum in geding voor zijn psychische klachten niet onder behandeling was van een psychiater en zijn behandeling uitsluitend bestond uit een steunend contact met een psycholoog die hem al langer begeleidde. Ter zake beschikte de verzekeringsarts over voldoende informatie, nu appellant op het spreekuur door deze psycholoog werd begeleid en nadien nog telefonisch overleg tussen de verzekeringsarts en de psycholoog heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de Raad is met de door appellant ervaren psychische klachten voldoende rekening gehouden, gelet op de beperkingen die in de FML aangenomen zijn ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren. De door appellant in hoger beroep overgelegde informatie met betrekking tot zijn psychische klachten kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden, nu die informatie betrekking heeft op de medische situatie van appellant vanaf mei 2011 en daarin geen uitspraken worden gedaan over zijn situatie in 2009.

Met betrekking tot de fysieke klachten hebben de verzekeringsartsen geen aanleiding gezien nadere informatie in te winnen, omdat appellant een goed beeld heeft kunnen schetsen over zijn medische problematiek en behandelingen. Met de fysieke klachten heeft de verzekeringsarts naar het oordeel van de Raad voldoende rekening gehouden door het aannemen van beperkingen in de relevante rubrieken van de FML (aanpassing aan fysieke omgevingseisen, statische belasting en dynamische handelingen). Ook in hoger beroep is door appellant geen andersluidende informatie overgelegd met betrekking tot zijn fysieke klachten. De Raad ziet, gelet op de beschikbare medische informatie, dan ook geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat de beperkingen van appellant op de datum in geding zijn onderschat.

4.3. Ten aanzien van de arbeidskundige kant overweegt de Raad dat aan de schatting de functies schadecorrespondent (sbc-code 516080), wikkelaar (sbc-code 267050) en administratief medewerker (sbc-code 315090) ten grondslag zijn gelegd. De Raad is van oordeel dat met de rapportage van bezwaararbeidsdeskundige Diergaarde van

16 september 2009 en de toelichting van 10 november 2009 door bezwaararbeidsdeskundige F.J.M. van den Bliek voldoende inzichtelijk en toetsbaar is onderbouwd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor appellant geschikt kunnen worden geacht. Op basis van deze rapportages is de mate van arbeidsongeschiktheid terecht vastgesteld naar de klasse van 45 tot 55%.

4.4. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, komt de Raad dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en J.J.T van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) L. van Eijndthoven.

NW