Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6609

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
23-02-2012
Zaaknummer
10-2967 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. Het oordeel van de door de Raad benoemde deskundige wordt gevolgd. Dat hij zich in het genoemd rapport niet heeft uitgedrukt in termen die gebruikelijk zijn binnen het CBBS, waarvan de FML een deel uitmaakt, laat onverlet dat de deskundige Edixhoven, naar het oordeel van de Raad, in deze rapportage aannemelijk heeft gemaakt dat appellant geschikt kan worden geacht voor passende arbeid in de vorm van de genoemde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2967 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 6 mei 2010, 09/2504 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 22 februari 2012

I PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.H. Burger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is een expertise van orthopedisch expert dr. J.H. Postma overgelegd.

De Raad heeft orthopedisch expert dr. Ph. J. Edixhoven als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft op 15 juli 2011 een schriftelijk verslag van zijn onderzoek aan de Raad uitgebracht. Appellant en het Uwv hebben hun zienswijzen daarover naar voren gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Burger. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant ontving sinds 1979, met onderbreking, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, wegens rugklachten en artrose aan de heupen. Bij besluit van 2 maart 2009 heeft het Uwv deze uitkering met ingang van 3 mei 2009 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant minder dan 15% bedroeg. Aan dit besluit ligt ten grondslag een rapport van de arbeidsdeskundige P.C. Hooijkamp. Hierin is te kennen gegeven dat na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) de functies van productiemedewerker industrie, wikkelaar/samensteller elektronische apparatuur en elektronicamonteur voor appellant als passende arbeid gelden. Het tegen het besluit van 2 maart 2009 gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 juli 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en daarom het beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep voert appellant aan dat het Uwv zijn belastbaarheid niet juist heeft vastgesteld. Ter onderbouwing verwijst hij naar de expertise van dr. Postma, aangevuld bij brief van 21 december 2010. Op grond daarvan betoogt appellant dat hij maximaal een half uur achtereen en niet langer dan de helft van de werkdag kan zitten. Het is daarom duidelijk dat alle geduide functies dienen te vervallen, nu de toelaatbare belasting qua zitten wordt overschreden.

4.1. Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit stand kan houden.

4.2. In zijn rapport komt de deskundige Edixhoven in antwoord op vragen van de Raad tot de volgende bevindingen en conclusies. Betreffende de rubriek 4 van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 12 februari 2009, dynamische handelingen, plaatst de deskundige kanttekeningen bij de aspecten frequent buigen tijdens het werk, lopen en lopen tijdens het werk. Deze aspecten zouden benedenwaarts moeten worden bijgesteld. Lopen zou niet langer dan enkele keren een half uur per dag moeten voorkomen. Knielen en hurken worden niet als normaal mogelijk geduid. Het weer omhoog komen is voor appellant nog lastiger. Betreffende de rubriek 5, statische houdingen, plaatst de deskundige kanttekeningen bij de aspecten zitten en staan. Zitten niet langer dan een aantal keren per dag een half uur, enkele keren een uur, achtereen. Staan moet ook benedenwaarts worden bijgesteld. De deskundige geeft voorts te kennen dat de door de gemachtigde van appellant in de brief van 27 mei 2011genoemde belastingen, waar het gaat om zitten, lopen en staan, binnen de zo weergegeven belastbaarheid vallen. Indien de belasting betreffende de rechterheup en lage rug in de geduide functies dynamisch en statisch niet groter is dan hiervoor is weergegeven, moeten de functies in theorie geschikt zijn. Uit de beoordeling van de deskundige van die belasting blijkt vervolgens dat hem de criteria voor reiken, kort cyclisch torderen, buigen, duwen, trekken, tillen, dragen en lopen niet onacceptabel lijken. Betreffende het aspect zitten lijkt de zitduur net acceptabel. Dat geldt ook voor staan en het gebogen actief zijn. De deskundige besluit zijn rapport samenvattend met te vermelden dat hij, met inachtneming van de door hem vastgestelde belastbaarheid, bij de geduide functies betreffende de dynamische en statische activiteiten niet echt onacceptabele belastingen is tegengekomen.

4.3. Desgevraagd is de deskundige, naar aanleiding van het verzoek van de gemachtigde van appellant om expliciet conform de FMLsystematiek uitdrukking te geven aan de belastbaarheid van appellant en daarbij de belasting in de functies van productiemedewerker industrie, wikkelaar en elektronicamonteur te betrekken, bij zijn eerdere conclusie gebleven. Daarbij heeft hij te kennen gegeven dat hij bij de beantwoording van de vragen, gelet op het doel daarvan, in het rapport van 15 juli 2011 voldoende duidelijk is geweest.

4.4. Het is vaste rechtspraak van de Raad dat het oordeel van een onafhankelijk door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze regel is gerechtvaardigd. Gezien het door de deskundige Edixhoven uitgebrachte rapport van 15 juli 2011 heeft de Raad geen aanleiding gevonden het oordeel van deze deskundige niet te volgen. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de conclusies van Edixhoven op een voldoende uitgebreid en zorgvuldig onderzoek berusten en overtuigend, aan de hand van relevante medische onderzoeken zijn gemotiveerd. De Raad stelt voorts vast dat de deskundige zijn oordeel naar aanleiding van het verzoek van appellant serieus heeft overwogen. Dat hij zich in het genoemd rapport niet heeft uitgedrukt in termen die gebruikelijk zijn binnen het CBBS, waarvan de FML een deel uitmaakt, laat onverlet dat de deskundige Edixhoven, naar het oordeel van de Raad, in deze rapportage aannemelijk heeft gemaakt dat appellant geschikt kan worden geacht voor passende arbeid in de vorm van de onder 4.3 genoemde functies. De Raad ziet op grond van het vorenstaande geen aanleiding, zoals door appellant is verzocht in de brief van 20 oktober 2011, om een deskundige te benoemen.

4.5. Hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) Z. Karekezi.

GdJ