Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6605

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
23-02-2012
Zaaknummer
10-4811 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAZ-uitkering: minder dan 25% arbeidsongeschikt. (Laattijdige) aanvraag WAZ-uitkering. Geen sprake van bijzonder geval. De beoordeling van de belastbaarheid voor arbeid van appellante heeft voldoende zorgvuldig plaatsgevonden. In de beschrijving van de werkzaamheden en in de belasting in de functies zijn geen aanwijzingen gevonden voor de conclusie dat de functies, gelet op de specifieke voor appellante geldende beperkingen, ongeschikt zijn te achten voor haar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4811 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 23 juli 2010, 10/684 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 22 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.L. van Os, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2012. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk meewerkend in het bedrijf van haar (ex-)echtgenoot. Appellante heeft op 28 april 2008 bij het Uwv een aanvraag om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) ingediend vanwege sedert mei 2004 bestaande arbeidsongeschiktheid ten gevolge van hartklachten, klachten van COPD en aan de linkerschouder. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 19 augustus 2009 geweigerd aan appellante een WAZ-uitkering toe te kennen, omdat zij op en na 30 april 2005 minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.2. In bezwaar heeft een bezwaarverzekeringsarts medisch onderzoek verricht. In zijn rapport van 6 januari 2010 heeft deze arts geconcludeerd dat hij geen medische basis ziet voor meer beperkingen bij appellante per 30 april 2005 dan door de verzekeringsarts is aangegeven. Om technische redenen heeft hij de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aangepast. In een aanvullend rapport van 14 januari 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat de aangepaste FML ook van toepassing is per 28 april 2007, zijnde een jaar voorafgaande aan de aanvraag. Hierop is een arbeidskundige heroverweging gevolgd. De bezwaararbeidsdeskundige heeft met inachtneming van de aangepaste FML per 28 april 2007 een aantal passende functies voor appellante geschikt bevonden en per die datum een verlies aan verdiencapaciteit berekend van 0%. Bij besluit van 21 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep - kort gezegd - haar in bezwaar en beroep ingenomen standpunt gehandhaafd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 36, eerste lid, van de WAZ gaat de arbeidsongeschiktheidsuitkering in op de dag, met ingang waarvan de betrokkene aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet. Op grond van artikel 36, tweede lid, van de WAZ kan in afwijking van het eerste lid de uitkering niet vroeger ingaan dan één jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend. Ingevolge de tweede volzin van die bepaling kan het Uwv voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

4.2. Uit de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende stukken blijkt dat de WAZ-beoordeling heeft plaatsgevonden per 28 april 2007, zijnde één jaar voorafgaande aan de aanvraag van de WAZ-uitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante bedraagt volgens het Uwv ook per 28 april 2007 minder dan 25%. Daarbij is het Uwv ervan uitgegaan dat de belastbaarheid van appellante op 30 april 2005 gelijk is aan de belastbaarheid per 28 april 2007.

4.3. De Raad is van oordeel dat de gekozen datum van beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid juist is, omdat appellante op 28 april 2008 een (laattijdige) aanvraag om een WAZ-uitkering heeft ingediend en er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de WAZ. De uitkering kan dus niet eerder ingaan dan op 28 april 2007.

4.4. In geschil is vervolgens de vraag of de beperkingen en de mogelijkheden van appellante per 28 april 2007 ten aanzien van arbeid juist zijn beoordeeld en vastgelegd in de aangepaste FML en of appellante op en na deze datum geschikt was te achten voor de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies.

4.5. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de beoordeling van de belastbaarheid voor arbeid van appellante voldoende zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De verzekeringsarts heeft bij de vaststelling van de beperkingen al rekening gehouden met onder meer informatie van de huisarts en de behandelend cardioloog en heeft enkele beperkingen aangenomen in het persoonlijk functioneren alsook in verband met de lichamelijke klachten. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens kennis genomen van de uitgebreide informatie van de cardioloog, de orthopedisch chirurg en de longarts. Onder verwijzing naar deze informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts om technische redenen de FML aangepast en gemotiveerd te kennen gegeven dat er geen aanleiding is meer beperkingen aan te nemen per 30 april 2005 en dat de aangepaste FML ook van toepassing is per 28 april 2007. De Raad ziet geen aanleiding de bevindingen van de verzekeringartsen in twijfel te trekken. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep medische gegevens in het geding gebracht waaruit blijkt dat zij op objectief medische gronden meer beperkingen heeft dan in de aangepaste FML zijn neergelegd. Ook het in hoger beroep overgelegd schrijven van 13 mei 2011, ondertekend door psychiater G. Zwartjes en psycholoog A. Oomens, brengt de Raad niet tot een ander oordeel, nu daarin geen medische gegevens worden vermeld die bij de verzekeringsartsen nog niet bekend waren.

4.6. Voorts heeft de Raad in de beschrijving van de werkzaamheden, verbonden aan de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies, en in de belasting in die functies geen aanwijzingen gevonden voor de conclusie dat de functies, gelet op de specifieke voor appellante geldende beperkingen, overigens ongeschikt zijn te achten voor haar.

4.7. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 februari 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) Z. Karekezi.

JL