Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6488

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
23-02-2012
Zaaknummer
11-671 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAZ-uitkering. De medische grondslag van het bestreden besluit is voldoende zorgvuldig. Geen aanleiding voor twijfel aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies kunnen voor appellant geschikt worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/671 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 23 december 2010, 10/2135 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 22 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.A. Misker hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2012. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is wegens chronische pijnklachten uitgevallen voor zijn werk als zelfstandig restauranthouder. Met ingang van 31 december 1995 is hem een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is per 1 januari 1998 omgezet in een uitkering krachtens de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

1.2. In verband met een herbeoordeling heeft een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Op grond van de bevindingen van die onderzoeken heeft het Uwv geconcludeerd dat appellant met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt is te achten voor het verrichten van passende werkzaamheden zonder relevant verlies aan verdiencapaciteit, zodat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 25% is.

1.3. Bij besluit van 1 april 2009 is de WAZ-uitkering van appellant per 1 juni 2009 ingetrokken. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 20 augustus 2009 (bestreden besluit), onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen en de bezwaararbeidsdeskundige J.A.F. Vrijburg van respectievelijk 23 juli 2009 en 18 augustus 2009, ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit voldoende zorgvuldig geacht en heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. Voorts heeft de rechtbank de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt geacht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaararbeidsdeskundige voldoende toegelicht dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant om te functioneren niet overschrijdt.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen door het Uwv worden onderschat. Uit de medische gegevens is gebleken dat sprake is van afwijkingen van de nek, schouders, rug en benen, en dat de diagnose fibromyalgie is gesteld. Appellant meent dan ook dat de geduide functies niet passend zijn omdat zijn belastbaarheid wordt overschreden. Bovendien acht appellant zich niet in staat om acht uur per dag actief te zijn en is hij van mening dat de (fulltime) geduide functies ook om die reden niet passend zijn.

3.2. Appellant heeft voorts aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen acht heeft geslagen op de informatie van de psychiater B. van den Berg van 6 september 2007 (lees: 2 juli 2007). Tot slot stelt appellant dat hij medicatie gebruikt die versuffend werkt. Ook daarmee is ten onrechte geen of te weinig rekening mee gehouden.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Appellant is primair onderzocht door een verzekeringsarts die tevens over informatie beschikte van de behandelend sector, waaronder de informatie van de psychiater Van den Berg van 2 juli 2007 en GZ-psycholoog J.A.C. de Beer van 29 oktober 2008. De bezwaarverzekeringsarts Heeskens-Reijnen heeft dossierstudie verricht, de hoorzitting bijgewoond en appellant aansluitend uitvoerig onderzocht. Bij de beoordeling heeft de bezwaarverzekeringsarts de informatie van de huisarts van 22 april 2009 en de reumatoloog R.A.M. Traksel van 10 juli 2009 meegewogen. Uit de informatie van reumatoloog Traksel komt naar voren dat sprake is van discopathie van de cervicale wervelkolom, minimale spondylose lumbale wervelkolom, geringe scoliose en mogelijk geringe AC artrose rechts. De reumatoloog stelt echter, anders dan appellant, dat er geen sprake is van fibromyalgie. De Raad kan de bezwaarverzekeringsarts volgen in haar conclusie dat sprake is van geringe afwijkingen en dat deze niet tot meer beperkingen hoeven te leiden dan reeds in de FML zijn aangenomen. De Raad verwijst in dit verband nog naar het in beroep gegeven commentaar van de bezwaarverzekeringsarts, zoals verwoord in haar rapport van 19 oktober 2009. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de in beroep overgelegde brief van de reumatoloog Traksel van 11 november 2009 geen wezenlijk andere informatie bevat dan de brief van 10 juli 2009. Ook ten aanzien van de brief van reumatoloog D.J.R.A.M. de Rooij van 1 oktober 2010 onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank.

4.3. De stelling van appellant dat hij niet in staat is om acht uur per dag actief te zijn, is niet met medische gegevens onderbouwd. De bezwaarverzekeringsarts Heeskens-Reijnen heeft in haar rapport van 23 juli 2009 reeds uitvoerig aangegeven dat een urenrestrictie bij appellant niet aan de orde is. Ten aanzien van de beroepsgronden bedoeld in 3.2 onderschrijft de Raad het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts G.J.A. van Kasteren-van Delden, zoals verwoord in haar rapport van 4 januari 2012.

4.4. Met betrekking tot de arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit overweegt de Raad als volgt. De Raad stelt vast dat de schatting, zoals blijkt uit de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige J.A.F. Vrijburg van 18 augustus 2009, uiteindelijk berust op de functies van sorteerder, controleur (sbc-code 111340), machinaal metaalbewerker (sbc-code 264122) en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180). Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld op minder dan 25%. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige genoegzaam gemotiveerd waarom de belasting in de functies geen overschrijding oplevert van de belastbaarheid van appellant.

5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) L. van Eijndthoven.

KR