Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6483

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-02-2012
Datum publicatie
23-02-2012
Zaaknummer
11-451 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wet WIA-uitkering. Geen redenen om aan te nemen dat het Uwv een onzorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de beperkingen van appellant. Het dossier bevat geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellant meer of anders beperkt is dan in de FML is neergelegd. Ervan uitgaande dat de belastbaarheid van appellant niet is overschat, moet appellant op de datum in geding in staat worden geacht tot het vervullen van de bij de schatting in aanmerking genomen functies. De (bezwaar)arbeidsdeskundigen hebben inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom de belasting in de voorgehouden functies geen overschrijding oplevert van de belastbaarheid van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/451 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2010, 09/5826 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 22 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. de Miranda, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2012.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Miranda. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer. Als tolk was J.S. Bawa aanwezig.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant, laatstelijk werkzaam als schoonmaker, is op 16 mei 2007 uitgevallen in verband met onder meer knieklachten.

1.2. Naar aanleiding van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellant op 15 april 2009 onderzocht door een verzekeringsarts die heeft vastgesteld dat appellant als gevolg van knie- en rugklachten beperkt is ten aanzien van zware belasting. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 april 2009. Hiervan uitgaande heeft een arbeidsdeskundige met gebruikmaking van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) drie functies en twee reservefuncties geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op minder dan 35%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 2 juli 2009 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 13 mei 2009 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA.

1.3. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek op basis van dossierstudie en eigen onderzoek geconcludeerd dat er geen medische redenen zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. In zijn rapportage van 4 november 2009 heeft de bezwaararbeidsdeskundige M.N.J. Kollaard de geselecteerde functies nogmaals op hun geschiktheid bezien en voorzien van nadere motiveringen. Onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 juli 2009 bij besluit 6 november 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

3. In hoger beroep handhaaft appellant zijn standpunt dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat ten onrechte geen aansluiting is gezocht bij de medische beoordeling door de bedrijfsarts en de beoordeling die ten grondslag is gelegd aan de indicatie op grond van de Wet sociale werkvoorziening (WSW). Appellant stelt verder dat de primaire verzekeringsarts heeft aangegeven dat zitten geen probleem is mits er regelmatig kan worden vertreden, maar dat dit oordeel van de verzekeringsarts niet in de FML is verwerkt en de bezwaarverzekeringsarts dit niet heeft hersteld. Tot slot benadrukt appellant nogmaals dat in de functie van wikkelaar het bestucken 80% van de arbeidstijd in beslag neemt en er tijdens 80% van de werktijd niet kan worden vertreden.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de gronden die hij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. De Raad verenigt zich met het ter zake gegeven oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen.

4.3. Naar het oordeel van de Raad zijn er geen redenen om aan te nemen dat het Uwv een onzorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de beperkingen van appellant. De Raad vindt in het dossier geen aanknopingspunten om aan te nemen dat appellant meer of anders beperkt is dan in de FML van 15 april 2009 is neergelegd. Die aanknopingspunten vindt de Raad ook niet, anders dan appellant meent, in het AD-scan onderzoek van bedrijfsarts J. Ammersingh van 19 maart 2008 en de daarbij behorende FML, dan wel in de rapportage van psycholoog K. van Loenen van 28 juli 2009, die ten grondslag ligt aan de WSW-indicatie van 10 augustus 2009. Dat de bedrijfsarts en de psycholoog van verdergaande beperkingen zijn uitgegaan, behoeft op zichzelf geen aanleiding te zijn voor twijfel aan de bevindingen van de verzekeringsartsen. Het vaststellen van beperkingen en mogelijkheden voor het verrichten van arbeid in het kader van een WIA-beoordeling verschilt van een advies over de re-integratiemogelijkheden van appellant, dan wel de aanpassingen die nodig zijn om re-integratie in het arbeidsproces te bevorderen.

Nu niet is gebleken dat de verzekeringsartsen niet op de hoogte waren van alle relevante medische gegevens, acht de Raad de medische beoordeling van de bedrijfsarts en de psycholoog niet van doorslaggevende betekenis. De Raad wijst op zijn uitspraken van 15 januari 2010, LJN BK9703 en 17 augustus 2011, LJN BR5571.

4.4. Aldus ervan uitgaande dat de belastbaarheid van appellant niet is overschat, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant op de datum in geding in staat was tot het vervullen van de bij de schatting in aanmerking genomen functies. De (bezwaar)arbeidsdeskundigen hebben in de rapportages van 28 mei 2009 en 4 november 2009 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom de belasting in de voorgehouden functies geen overschrijding oplevert van de belastbaarheid van appellant. Betreffende het standpunt van appellant dat het regelmatig vertreden ten onrechte niet in de FML is opgenomen, verwijst de Raad allereerst naar het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, zoals verwoord in diens rapportages van 9 september 2009 en 4 maart 2010, en voegt daaraan toe dat uit de FML volgt dat appellant een uur achtereen zittend werk kan verrichten. Dat na een uur moeten kunnen worden vertreden volgt uit deze omschrijving. Volgens het resultaat functiebeoordeling komt in geen van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies langer dan een uur achtereen zitten voor, zodat na een uur kan worden vertreden. De Raad heeft daarbij meegewogen dat in de functies ook ieder uur, twee tot vijf minuten, lopen voorkomt. Op grond hiervan staat genoegzaam vast dat in de geduide functies voldoende mogelijkheden tot vertreden aanwezig zijn. De Raad kan zich overigens vinden in de nadere uitleg van de bezwaararbeidsdeskundige van 10 februari 2011, betreffende de aangevoerde beroepsgrond ten aanzien van de functie van wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050).

4.5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) L. van Eijndthoven.

KR