Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6367

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
09/6635 WWB + 11/5530 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het intrekkingsbesluit van 24 augustus 2005 in rechte onaantastbaar is geworden en dat het besluit van 8 juni 2007 niet in de plaats is getreden van dit besluit. Daaruit volgt dat de beroepsgronden die zijn gericht tegen de intrekking van de bijstand niet meer aan de orde kunnen komen. Bevestiging aangevallen uitspraak. Matiging. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen om de matiging van de terugvordering te beperken tot 5% van het bedrag van de terugvordering. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6635 WWB

11/5530 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 oktober 2009, 09/1949 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 21 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.A. Vetter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en een nader besluit van 2 november 2009 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vetter. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving vanaf 21 januari 2002 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 24 augustus 2005 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 12 december 2002 ingetrokken. Dit besluit is gebaseerd op het standpunt van het college dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden doordat hij onjuiste informatie heeft gegeven over zijn feitelijke woonadres. Appellant heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt waardoor het intrekkingsbesluit in rechte onaantastbaar is geworden.

1.2. Bij besluit van 8 juni 2007 heeft het college de bijstand van appellant over de periode van 12 december 2002 tot en met 31 augustus 2005 ingetrokken en de kosten van de over deze periode ten onrechte verleende bijstand tot een bedrag van € 30.201,69 teruggevorderd.

1.3. Bij besluit van 31 maart 2009 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 8 juni 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat, omdat geen bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 24 augustus 2005, de intrekking van de bijstand met ingang van 12 december 2002 in rechte vaststaat en de intrekking van het recht op bijstand niet meer ter toetsing voorligt. Gelet hierop achtte het college zich bevoegd tot terugvordering over te gaan. Er is geen reden om van de geldende beleidsregels af te wijken en er is geen aanleiding om op grond van dringende redenen van terugvordering af te zien.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Aangezien vaststaat dat tussen het intrekkingsbesluit van 24 augustus 2005 en het besluit tot terugvordering van 8 juni 2007 bijna twee jaren zijn verstreken is het standpunt van het college om de terugvordering, ondanks het gebrek aan voortvarendheid, niet te matigen onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft het college opgedragen hierover een nieuw besluit te nemen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het besluit van 8 juni 2007 in de plaats is getreden van het besluit van 24 augustus 2005 zodat de intrekking van de bijstand over de periode van 12 december 2002 tot en met 31 augustus 2005 nog niet in rechte vaststaat.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 2 november 2009 de terugvordering gematigd met 5% tot € 28.691,16. De Raad merkt dit besluit aan als een besluit dat op grond van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling moet worden betrokken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De aangevallen uitspraak

5.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het intrekkingsbesluit van 24 augustus 2005 in rechte onaantastbaar is geworden en dat het besluit van 8 juni 2007 niet in de plaats is getreden van dit besluit. Daaruit volgt dat de beroepsgronden die zijn gericht tegen de intrekking van de bijstand niet meer aan de orde kunnen komen en dat vaststaat dat appellant over de periode van 12 december 2002 tot en met 31 augustus 2005 ten onrechte bijstand heeft ontvangen. Het college was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB over te gaan tot terugvordering van de kosten van bijstand over die periode.

5.2. Uit het onder 5.1 overwogene vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

Het besluit van 2 november 2009

5.3. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 17 juni 2009, LJN BJ2400, heeft het college de terugvordering vanwege het gebrek aan voortvarendheid gematigd met 5%. Volgens appellant had het college tot een verdergaande matiging moeten overgaan, omdat het voor hem ten tijde van de afgifte van het intrekkingsbesluit niet kenbaar was dat dit zou leiden tot een terugvordering van € 30.201,69.

5.4. Gelet op de in 5.3 genoemde uitspraak van de Raad van 17 juni 2009, is er geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid kunnen beslissen om de matiging van de terugvordering te beperken tot 5% van het bedrag van de terugvordering. Immers, aan de intrekking van de bijstand in dit geval ligt, anders dan in die uitspraak, wel een schending van de inlichtingenverplichting ten grondslag en is de periode tussen de afgifte van het intrekkings- en het terugvorderingsbesluit korter. Dat het voor appellant niet kenbaar was dat het besluit van 24 augustus 2005 zou leiden tot een terugvordering van € 30.201,69 is, wat daar verder ook van zij, geen grond om de terugvordering verder te matigen.

5.5. Gelet op hetgeen onder 5.3. en 5.4. is overwogen zal de Raad het beroep tegen het besluit van 2 november 2009 ongegrond verklaren.

6. Voor de door appellant verzochte veroordeling tot vergoeding van schade bestaat, gelet op het voorgaande, geen ruimte. De Raad ziet evenmin aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 november 2009 ongegrond;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en M. Hillen en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2012.

(get.) W.F. Claessens.

(get.) R.L.G. Boot.

EW