Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6362

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2012
Datum publicatie
22-02-2012
Zaaknummer
10-2017 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. De verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, bieden voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant in de periode in geding niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2017 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2010, 08/3176 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 21 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Burema, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2011. Voor appellant is mr. Burema verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant ontving bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Naar aanleiding van een melding van [naam woningcorporatie] over onrechtmatige bewoning op het uitkeringsadres van appellant, [Adres 1] te [plaatsnaam], heeft het college een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader hiervan is onder meer een buurtonderzoek verricht, zijn getuigen gehoord en is de ex-echtgenote van appellant verhoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van de sociale recherche van 31 januari 2008. Op grond hiervan heeft het college bij besluit van 31 maart 2008 de bijstand van appellant over de perioden van 1 juli 1997 tot en met 30 november 1999 en van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007 ingetrokken en de over die perioden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 81.085,25 bruto van appellant teruggevorderd. Daarbij heeft het college een bedrag van € 56.776,65 bruto mede van de ex-echtgenote van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat appellant geen melding heeft gemaakt van zijn inkomsten uit onderhuur van de woning aan de [Adres 1] te [plaatsnaam], dat hij voorts geen melding heeft gemaakt van de gezamenlijke huishouding met zijn voormalige echtgenote en tot slot dat hij geen hoofdverblijf had op het door hem opgegeven adres.

1.3. Appellant is op 6 april 2008 aangehouden en door de sociale recherche van de gemeente Amsterdam verhoord. Op 20 mei 2008 is appellant opnieuw verhoord. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in een aanvullend proces-verbaal van 20 mei 2008.

1.4. Bij besluit van 4 juli 2008 heeft het college het bezwaar van appellant en zijn ex-echtgenote tegen het besluit van 31 maart 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant en zijn ex-echtgenote gegrond verklaard, het besluit van 4 juli 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit voor zover betrekking hebbend op de intrekking van de bijstand over de periode van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007 in stand blijven.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is uitsluitend nog in geschil of appellant in de periode van 10 december 2002 tot en met 31 mei 2007 zijn hoofdverblijf heeft gehad op het door hem opgegeven adres. Waar iemand zijn woon- of verblijfplaats heeft, moet worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De Raad neemt hierbij het volgende in aanmerking.

4.2. In een brief, gedateerd 25 mei 2007 en gericht aan [naam woningcorporatie], hebben [F.], [K.] en [G.] zich gepresenteerd als degenen die hoofdverblijf hebben in de woning aan de [Adres 1] te [plaatsnaam]. Vervolgens hebben [F.] en [K.] afzonderlijk van elkaar verklaringen afgelegd ten overstaan van de sociale recherche van de gemeente Amsterdam. Deze verklaringen en de brief die aan de woningcorporatie is gestuurd stemmen in de kern met elkaar overeen en zijn inhoudelijk consistent. Dat [K.] en [F.] geen kwitanties of ander bewijs over kunnen leggen van de betaalde huurpenningen, doet onder de gegeven omstandigheden geen afbreuk aan de geloofwaardigheid van hun verklaringen. De Raad deelt dan ook niet het standpunt van appellant dat aan de verklaringen van [F.] en [K.] geen waarde kan worden toegekend. De verklaringen van [F.] en [K.] stroken bovendien met de verklaringen van de buurtbewoners uit de omgeving van de [Adres 1], waarvan sommige tevens betrekking hebben op de periode vóór 2005, toen [K.] op het adres aan de [Adres 1] is komen wonen.

4.3. Met betrekking tot de periode vóór 2005 hecht de Raad betekenis aan de verklaringen van de buurtbewoners uit de omgeving van de woning van de ex-echtgenote van appellant aan de [adres 2] te [woonplaats]. Zo heeft getuige [N.] verklaard dat appellant en zijn ex-echtgenote samen op huisnummer [nr.] zijn komen wonen, direct nadat de vorige eigenaar was vertrokken. [V.d. T.], destijds samenwonend met de vorige eigenaar van de woning aan de [adres 2], heeft op de getoonde foto’s appellant en zijn ex-echtgenote herkend en heeft verklaard dat de woning op 15 april 2002 is verkocht aan de ex-echtgenote van appellant. Ook de buurtbewoner woonachtig op de [adres 3] heeft appellant en zijn ex-echtgenote herkend als zijn buren en heeft verklaard dat appellant sinds 2002 op de [adres 2] woont.

4.4. De Raad is dan ook met de rechtbank van oordeel dat bovengenoemde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellant in de periode in geding niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres.

4.5. Door het college niet te melden dat hij in de in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf niet had op het opgegeven adres, heeft appellant zijn wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Deze schending heeft tot gevolg gehad dat aan appellant in de in geding zijnde periode ten onrechte bijstand is verleend. Het college was derhalve ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over deze periode in te trekken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot intrekking heeft kunnen besluiten.

4.6. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.J.M. Heijs en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2012.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

HD