Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6330

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-02-2012
Datum publicatie
21-02-2012
Zaaknummer
11-7501 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om een voorlopige voorziening. Geen sprake van een spoedeisend belang. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7501 WIA

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats] (verzoeker),

in verband met de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 november 2011, 11/1661 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 10 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft bij brief van 21 december 2011 een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Bij brieven van 4 januari en 23 januari 2012 heeft verzoeker zijn verzoek nader aangevuld onder overlegging van stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2012. Verzoeker is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Bij besluit van 10 augustus 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor verzoeker met ingang van 14 september 2010 recht is ontstaan op een loongerelateerde uitkering in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

1.3. Bij besluit van 1 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv zijn besluit van 10 augustus 2011 gehandhaafd.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2. In hoger beroep heeft verzoeker zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarnaast heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen, omdat hij in verband met zijn gezondheid op korte termijn helderheid wil omtrent de uitkomst in het geschil tussen hem en het Uwv. Verzoeker heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat zijn verzoek onder meer dient te leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en vernietiging van het bestreden besluit.

3. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. Verzoeker heeft ter zitting desgevraagd uiteengezet dat de spoedeisendheid in zijn geval is gelegen in het feit dat het geschil tussen hem en het Uwv een (zeer) negatieve invloed heeft op zijn gezondheidsklachten. Deze klachten zijn toegenomen en zullen verder toenemen naarmate de onderhavige procedure voortduurt. Verzoeker ervaart de procedure dan ook als zeer belastend.

3.3. In de door verzoeker in het kader van zijn verzoek ingebrachte stukken noch in de overige voorhanden zijnde medische gegevens heeft de voorzieningrechter (medisch geobjectiveerde) aanknopingspunten gevonden die erop wijzen dat de gezondheid van verzoeker schade lijdt indien of doordat zijn geschil met het Uwv niet tot een spoedige beslechting komt. Van een spoedeisend belang is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen sprake.

3.4. Verzoeker, zo begrijpt de Raad, heeft met zijn verzoek om een voorlopige voorziening eveneens verzocht om toepassing van het in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde middel om tot een beslissing ten gronde te komen.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld zijn uitspraak van 1 oktober 2008, LJN BF6776, is de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen evenwel niet bedoeld om door middel van die procedure de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86 lid 1 Awb neergelegde bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

3.5. Uit het overwogene in 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.J. Penning.

KR