Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6261

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-02-2012
Datum publicatie
20-02-2012
Zaaknummer
10-4238 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdelijke aanstelling wordt niet in een vaste aanstelling omgezet. Er is geen aanstelling van rechtswege ontstaan. Met betrekking tot de werkzaamheden die appellante als buitengriffier heeft verricht is geen sprake geweest van een (proeftijd)aanstelling. Het subsidiaire betoog van appellante dat erop neerkomt dat de door haar in haar hoedanigheid als buitengriffier verrichte werkzaamheden “dezelfde werkzaamheden” zijn als welke zij aansluitend als gerechtssecretaris heeft verricht, slaagt evenmin. Het niet voortzetten van de tijdelijke aanstelling na afloop van de proeftijd kan de rechterlijke toetsing doorstaan. Appellante wordt niet gevolgd in haar stelling dat zij niet bekend was met de eis dat zij ook de werkzaamheden ten behoeve van meervoudige strafzaken vóór het einde van de proeftijd diende te beheersen. Het bestuur heeft in redelijkheid kunnen concluderen dat appellante niet voldeed aan de redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen en dat zij ook niet binnen afzienbare tijd daaraan alsnog zou kunnen voldoen.

Wetsverwijzingen
Algemeen Rijksambtenarenreglement 6
Ambtenarenwet 2017 1
Ambtenarenwet 2017 2
Ambtenarenwet 2017 125
Wet op de rechterlijke organisatie 14
Wet op de rechterlijke organisatie 73
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4238 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 juni 2010, 10/537 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het bestuur van de rechtbank Amsterdam (hierna: bestuur)

Datum uitspraak: 9 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.F.R. Eisenberger, juridisch adviseur te Heemskerk. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Waegeningh, advocaat te Amsterdam, en mr. S. Bernsen, werkzaam bij de rechtbank Amsterdam.

Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend. Het bestuur heeft desgevraagd nadere stukken ingezonden, waarop van de zijde van appellante is gereageerd. Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven verder onderzoek ter zitting achterwege te laten. De Raad heeft daarna het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft vanaf 2 april 2004 werkzaamheden verricht als buitengriffier in enkelvoudige strafzaken bij het Team Jeugd van de Sector Strafrecht van de rechtbank Amsterdam.

1.2. Appellante is met ingang van 11 december 2006 tot uiterlijk 12 februari 2007 aangesteld in tijdelijke dienst als gerechtssecretaris, salarisschaal 9, op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder c, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR).

1.3. Met ingang van 1 juni 2007 is appellante op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR aangesteld in de functie van gerechtssecretaris, salarisschaal 8, in tijdelijke dienst met een proeftijd tot uiterlijk 1 juni 2009. Deze tijdelijke aanstelling is wegens ziekte van appellante ambtshalve verlengd tot uiterlijk 1 september 2009.

1.4. Bij besluit van 3 augustus 2009 heeft het bestuur appellante meegedeeld dat de tijdelijke aanstelling niet in een vaste aanstelling wordt omgezet, omdat appellante er niet in is geslaagd te voldoen aan de functie-eisen zoals opgenomen in het functieprofiel van gerechtssecretaris. Daarbij is overwogen dat niet tegemoet kan worden gekomen aan de wens van appellante om als gerechtssecretaris enkel te worden belast met Enkelvoudige Kamerzittingen. Het besluit van 3 augustus 2009 is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 december 2009 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft appellante niet gevolgd in haar primaire beroepsgrond, inhoudende dat appellante haar werkzaamheden als buitengriffier heeft uitgeoefend als ambtenaar in de zin van artikel 1, eerste lid, van de Ambtenarenwet (AW) en artikel 1 van het ARAR, zodat van rechtswege op grond van artikel 6, zesde lid, van het ARAR een vaste aanstelling is ontstaan. De rechtbank heeft daartoe - in het licht van de uitspraak van de Raad van 30 maart 2000, LJN AA7081 en TAR 2000, 65 - overwogen dat een uitdrukkelijk aanstellingsbesluit met betrekking tot de werkzaamheden van appellante als buitengriffier ontbreekt en evenmin (duidelijk) is gebleken van een aan de zijde van het bestuur levende bedoeling om een dergelijke verhouding tot stand te brengen, dan wel van feiten of omstandigheden op grond waarvan appellante heeft mogen begrijpen dat een aanstelling tot ambtenaar feitelijk had plaatsgevonden. De rechtbank heeft er in dit verband onder meer op gewezen dat de functie van buitengriffier in artikel 14, leden 4 tot en met 7, van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) wordt onderscheiden van de bij de gerechten werkzame ambtenaren. Ook uit het Besluit beëdiging en vergoeding buitengriffiers en waarnemend griffiers blijkt de bijzondere positie van de functie van buitengriffier, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft appellante evenmin gevolgd in haar subsidiaire beroepsgrond die erop neerkomt dat de werkzaamheden die appellante als buitengriffier heeft verricht dezelfde waren als de werkzaamheden die zij in de functie van gerechtssecretaris heeft verricht, zodat van rechtswege op grond van artikel 6, zevende lid, van het ARAR een vaste aanstelling is ontstaan. Ondanks een aantal overeenkomsten springt naar het oordeel van de rechtbank een aantal verschillen in het oog. Ook de meer subsidiaire beroepsgrond dat het bestuur in redelijkheid niet heeft mogen beslissen de tijdelijke aanstelling van appellante niet om te zetten in een vaste, is door de rechtbank verworpen. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat het bestuur in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat appellante niet aan de in redelijkheid aan haar te stellen eisen of verwachtingen heeft voldaan.

3. De grieven van appellante in hoger beroep zijn in essentie een herhaling van hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Op grond van artikel 1, eerste lid, van de AW is ambtenaar in de zin van deze wet degene die is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn.

4.2. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder het laatste gedachtestreepje, van de AW is Titel III van deze wet niet van toepassing op onder meer de buitengriffiers en de waarnemend griffiers, bedoeld in de artikelen 14, vierde lid, en 73, tweede lid, van de Wet RO.

4.3. Op grond van (het in Titel III van de AW opgenomen) artikel 125, eerste lid, aanhef en onder a, van de AW worden, voor zover dit onderwerp niet bij of krachtens de wet is geregeld, voor de ambtenaren, door of vanwege het rijk aangesteld, bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voorschriften vastgesteld betreffende aanstelling. De voorschriften ten aanzien van aanstelling zijn vastgelegd in hoofdstuk II van het ARAR (artikelen 4a tot en met 13 van het ARAR).

4.4. Op grond van artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a, van het ARAR kan een aanstelling in tijdelijke dienst plaatsvinden voor een proeftijd van ten hoogste twee jaar, zo nodig ambtshalve te verlengen met de tijd gedurende welke de ambtenaar de proeftijd niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht.

4.5. Op grond van artikel 6, zesde lid, van het ARAR geldt de aanstelling in tijdelijke dienst als een aanstelling in vaste dienst vanaf de dag waarop:

a. door de betrokken minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden;

b. meer dan drie door de betrokken minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden.

4.6. Op grond van artikel 6, zevende lid, van het ARAR is het zesde lid van overeenkomstige toepassing, indien de ambtenaar voorafgaande aan een door de betrokken minister verleende aanstelling in tijdelijke dienst dan wel tussen twee door die minister verleende aanstellingen in tijdelijke dienst binnen zijn gezagsbereik op een andere titel dan een aanstelling dezelfde werkzaamheden heeft verricht.

4.7.1. Ter zitting van de Raad heeft appellante haar betoog herhaald dat de buitengriffier moet worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van artikel 1, eerste lid, van de AW. Appellante heeft er in dit verband onder meer op gewezen dat in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder het laatste gedachtestreepje, van de AW is bepaald dat de buitengriffier niet valt onder titel III van de AW, waaruit volgt dat de buitengriffier wel valt onder de titels I en II van die wet. Volgens appellante beschouwt de AW de buitengriffier dus wel degelijk als ambtenaar in de zin van artikel 1, eerste lid, van de AW. Bij een andere opvatting zou het immers zinledig zijn om deze functionaris (als zijnde niet-ambtenaar) langs de weg van artikel 2, eerste lid, van de AW uit te sluiten van titel III van de AW, aldus appellante.

4.7.2. De Raad onderschrijft in grote lijnen het onder 4.7.1 weergegeven betoog. Ook naar zijn oordeel moet de buitengriffier op zichzelf worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van artikel 1, eerste lid, van de AW. Hoewel artikel 2, eerste lid, aanhef en onder het laatste gedachtestreepje, van de AW eerst op 1 juli 2010 in werking is getreden (Stb. 2010, 225) en dit artikelonderdeel ten tijde van belang dus strikt genomen niet van toepassing was, ziet de Raad aanleiding op voornoemd artikelonderdeel te anticiperen. De Raad ziet in de memorie van toelichting op (de wijziging van) artikel 2, eerste lid, van de AW (Kamerstukken II 2007-2008, 31 227, nr. 3, p. 36) geen beletsel voor een zodanige anticiperende wetsinterpretatie. In het vorenstaande ligt overigens besloten dat appellante niet kan worden gevolgd in haar stelling dat zij in de functie van buitengriffier - aangezien zij in deze functie noch op basis van een arbeidsovereenkomst, noch op basis van een ambtelijke aanstelling werkzaam is geweest - verstoken is (geweest) van iedere rechtsbescherming. De buitengriffier wordt immers, als ambtenaar in de zin van artikel 1, eerste lid, van de AW, op zichzelf een rechtsingang geboden bij de (bestuurs)rechter.

4.7.3. Dat de buitengriffier moet worden aangemerkt als ambtenaar in de zin van artikel 1, eerste lid, van de AW leidt evenwel niet tot het door appellante beoogde resultaat. Artikel 2, eerste lid, aanhef en onder het laatste gedachtestreepje, van de AW bepaalt immers uitdrukkelijk dat Titel III van deze wet (“Bepalingen van materieel recht”) niet van toepassing is op de buitengriffiers, bedoeld in de artikelen 14, vierde lid, en 73, tweede lid, van de Wet RO. Gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, moet de conclusie zijn dat artikel 6 van het ARAR niet van toepassing is op de buitengriffier. Overigens is in de reeds genoemde memorie van toelichting met betrekking tot de achtergrond van de eerdergenoemde wetswijziging vermeld dat de rechtspositie van de bij de rechtbanken en de gerechtshoven werkzame buitengriffiers “immers al is geregeld in het bepaalde bij en krachtens de artikelen 14 en 73 van de Wet RO.” Met het vorenstaande ontvalt de grond aan het (primaire) betoog van appellante dat met betrekking tot de werkzaamheden die zij als buitengriffier heeft verricht sprake is geweest van een (proeftijd)aanstelling in de zin van artikel 6, zesde lid, van het ARAR. Het betoog slaagt niet.

4.8. Het subsidiaire betoog van appellante dat erop neerkomt dat de door haar in haar hoedanigheid als buitengriffier verrichte werkzaamheden voor de toepassing van artikel 6, zevende lid, van het ARAR “dezelfde werkzaamheden” zijn als die welke zij aansluitend krachtens de onder 1.2 en 1.3 genoemde aanstellingen heeft verricht, slaagt evenmin. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat tussen de werkzaamheden als buitengriffier en die als gerechtssecretaris significante verschillen zijn aan te wijzen. Zoals het bestuur ter zitting van de Raad heeft toegelicht, behelsde het werk van appellante als buitengriffier nagenoeg uitsluitend het optreden in enkelvoudige strafzittingen, resulterend in zogeheten stempelvonnissen. Nu de buitengriffier slechts bij hoge uitzondering werd ingezet op enkelvoudige zittingen in civiele zaken, in het geheel niet werd ingezet op meervoudige zittingen en bovendien niet deelnam aan interne overleggen, kan niet worden gezegd dat de werkzaamheden die appellante als buitengriffier heeft verricht, dezelfde waren als haar werkzaamheden in haar aanstelling als gerechtssecretaris. Dat betekent dat van verrichte werkzaamheden op andere titel als bedoeld in eerdergenoemd artikellid geen sprake is, en dat dus geen vaste aanstelling op grond van dat artikellid is ontstaan.

4.9. De Raad komt dus - evenals de rechtbank, zij het op andere gronden - tot de slotsom dat geen vaste aanstelling van rechtswege is ontstaan.

4.10.1. Vervolgens moet met betrekking tot het meer subsidiaire betoog van appellante worden beoordeeld of het niet voortzetten van de tijdelijke aanstelling na afloop van de proeftijd de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 3 maart 2011, TAR 2011, 150 en LJN BP8848) is de toetsing van een dergelijk besluit terughoudend; zij beperkt zich, behoudens de - gelet op de beroepsgronden - overigens in aanmerking komende toetsing van het bestreden besluit aan geschreven of ongeschreven rechtsregels en algemene rechtsbeginselen, tot de vraag of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het oordeel kon komen dat de betrokken ambtenaar niet aan de door het bestuursorgaan redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen heeft voldaan. Daartoe is niet vereist dat wordt aangetoond dat de betrokken ambtenaar schromelijk is tekort geschoten of anderszins blijk heeft gegeven van ongeschiktheid die het ontslag van een in vaste dienst aangestelde ambtenaar zou kunnen rechtvaardigen.

4.10.2. De Raad overweegt allereerst dat hij appellante niet kan volgen in haar stelling dat zij niet bekend was met de eis dat zij ook de werkzaamheden ten behoeve van meervoudige strafzaken (het zogenoemde ‘MK-traject’) vóór het einde van de proeftijd diende te beheersen. Uit de beschikbare gedingstukken, waaronder een (beleids)notitie van 20 juli 2007 en gespreksverslagen van 2 juni en 20 augustus 2008, is naar voren gekomen dat dit vereiste (van meet af aan) uitdrukkelijk is voorgehouden aan appellante. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat deze eis niet aan appellante mocht worden gesteld. Hij zal hetgeen appellante na de heropening van het onderzoek nog heeft aangevoerd met betrekking tot enkele eveneens in 2007 in dienst getreden collega’s, erop neerkomende dat aan die collega’s de genoemde eis niet of niet in volle omvang is gesteld, in dit verband buiten beschouwing laten, nu appellante, zoals zij zelf ook heeft benadrukt, dit een en ander nog niet eerder aan de orde had gesteld en de heropening niet op deze aangelegenheid betrekking had. Heropening van het onderzoek strekt er immers niet toe partijen de gelegenheid te bieden nieuwe geschilpunten op te werpen.

4.10.3. De Raad overweegt vervolgens als volgt ten aanzien van het standpunt van het bestuur dat appellante tekortschoot op een aantal voor de functie van gerechtssecretaris essentiële competenties. Uit de stukken blijkt dat al vrij kort na aanvang van de onder 1.3 genoemde aanstelling, bij herhaling zorgen zijn geuit omtrent het functioneren van appellante. Uiteindelijk is het bestuur op grond van een op 2 juli 2009 met appellante gehouden functioneringsgesprek definitief tot de conclusie gekomen dat appellante niet voldeed aan de eisen die worden gesteld aan een MK-griffier, en dus niet voldeed aan het competentieprofiel van een gerechtssecretaris. Na de heropening van het onderzoek door de Raad heeft het bestuur de aantekeningen en gespreksverslagen overgelegd die de basis hebben gevormd voor het genoemde functioneringsgesprek en waarin het oordeel van een aantal rechters is vastgelegd over het functioneren van appellante in, met name, MK-zaken. De Raad ziet in die stukken een toereikende onderbouwing van het genoemde standpunt van het bestuur. Meermalen wordt in die stukken immers gemotiveerd melding gemaakt van een aanhoudend tekortschieten aan de zijde van appellante op belangrijke punten als probleemanalyse, oordeelsvorming en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid. Naar aanleiding van hetgeen appellante in reactie op de hier bedoelde, aanvullende informatie naar voren heeft gebracht, merkt de Raad daarbij nog op dat hij voor zover de rechters hun inlichtingen mondeling hebben verstrekt, geen reden ziet de correctheid van de terzake door de (voormalige) opleider van appellante gemaakte aantekeningen in twijfel te trekken. De Raad onderkent bij dit alles dat appellante na de uiteindelijk succesvolle afronding van het traject in enkelvoudige zaken, dat gezien de reeds aanwezige problemen in het functioneren relatief veel tijd heeft gevergd, nog maar zeer weinig tijd heeft gehad om zich de werkzaamheden van een MK-griffier eigen te maken. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.10.2, is daarin echter geen grond gelegen het meergenoemde standpunt van het bestuur onhoudbaar te achten.

4.10.4. De Raad is voorts van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat het onvoldoende functioneren van appellante op meerdere momenten met haar is besproken en dat appellante voldoende gelegenheid is geboden haar functioneren te verbeteren. De Raad kan appellante hierbij niet volgen in haar grief dat ze onvoldoende is begeleid.

4.10.5. Alles bijeengenomen heeft het bestuur in redelijkheid kunnen concluderen dat appellante niet voldeed aan de redelijkerwijs te stellen eisen en verwachtingen en dat zij ook niet binnen afzienbare tijd daaraan alsnog zou kunnen voldoen.

4.10.6. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en H.C.P. Venema en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2012.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) B. Bekkers.

HD

Q