Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6115

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-02-2012
Datum publicatie
20-02-2012
Zaaknummer
07/5055 ANW + 10/4690 ANW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag ANW-uitkering wegens geschiktheid voor passende arbeid. De Svb ziet eraan voorbij dat dient te worden vastgesteld of bij appellante op 19 februari 2002 sprake was van arbeidsongeschiktheid die daarna ten minste drie maanden heeft voortgeduurd. Het gaat er derhalve niet om vast te stellen of bij appellante sprake was van langdurige, structurele beperkingen. Thans, tien jaar na de in geding zijnde periode, is nog steeds niet op de juiste wijze onderzocht of bij appellante sprake was van arbeidsongeschiktheid. Het tijdsverloop is toe te schrijven aan de Svb. De onduidelijkheid omtrent appellantes aanspraken mogen niet voor haar rekening worden gebracht. Op basis van de beschikbare gegevens moet worden geconcludeerd dat appellante wegens arbeidsongeschiktheid in aanmerking komt voor een nabestaandenuitkering. Veroordeling van de Svb tot betaling aan appellante van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

07/5055 ANW

10/4690 ANW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], Spanje (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juli 2007, 06/671 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).

Datum uitspraak: 17 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden, waaronder een beslissing op bezwaar van 17 augustus 2010.

Mr. De Roy van Zuydewijn heeft een reactie op het besluit van 17 augustus 2010 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2011. Voor appellante is mr. De Roy van Zuydewijn verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door R.W. Nicolaas.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De Svb heeft vragen van de Raad beantwoord.

Het geding is opnieuw ter zitting behandeld op 13 januari 2012. Namens appellante is mr. De Roy van Zuydewijn verschenen en namens de Svb R.W. Nicolaas.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Begin 2002 heeft appellante bij de Svb een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) aangevraagd in verband met het overlijden van haar echtgenoot op 19 februari 2002. Op een door appellante op 11 juni 2002 ingevuld formulier heeft zij aangegeven sedert november 2001 tijdelijk arbeidsongeschikt te zijn en in verband daarmee een uitkering te ontvangen.

1.2. Bij besluit van 14 maart 2003 heeft de Svb appellantes aanvraag afgewezen op de grond dat appellante niet aan de voorwaarden voor toekenning van een nabestaandenuitkering voldoet. Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarbij is naar voren gebracht dat appellante arbeidsongeschikt is en daarom in aanmerking komt voor een (pro rata) nabestaandenuitkering in aanvulling op de haar reeds toegekende Spaanse en Duitse uitkering.

1.3. Op 16 december 2003 heeft de Svb het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) verzocht een onderzoek in te stellen naar de arbeidsongeschiktheid van appellante. Op 13 augustus 2004 is rapport uitgebracht door het Instituto Nacional de la Securidad Social (INSS). Op 22 november 2004 heeft de verzekeringsarts R.J.A.M. van Eldijk gerapporteerd. Deze heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens is op 23 november 2004 rapport uitgebracht door de arbeidsdeskundige M.J.M. Twisker. Deze is tot de conclusie gekomen dat appellante ten tijde van het overlijden van haar echtgenoot met de voor haar geldende beperkingen in passende functies een zodanig inkomen kon verdienen dat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft op 2 december 2004 advies uitgebracht aan de Svb.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 23 december 2005 (besluit 1) heeft de Svb zijn besluit van 14 maart 2003 gehandhaafd. Appellante heeft beroep ingesteld tegen besluit 1.

2. De rechtbank heeft in de eerste plaats overwogen dat niet alle medische stukken zijn overgelegd, zodat niet inzichtelijk is gemaakt waarop het medisch oordeel is gebaseerd. Zij heeft daarom het beroep gegrond verklaard, besluit 1 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd en de Svb opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Ten behoeve van de verdere besluitvorming heeft de rechtbank nog enkele overwegingen over de arbeidskundige beoordeling gegeven. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat tussen partijen een schikking tot stand was gekomen over de door de Svb te betalen schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en te betalen proceskostenvergoeding.

3. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellante zich gemotiveerd tegen enkele overwegingen van de rechtbank gekeerd.

4. In zijn verweerschrift van 21 december 2007 heeft de Svb aangegeven naar aanleiding van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar voor te bereiden. Nadat de Svb door de Raad bij herhaling telefonisch is benaderd met de vraag wanneer een nieuw besluit te verwachten was, heeft hij de Raad op 13 maart 2009 bericht dat door een administratieve omissie het dossier niet verder ter hand was genomen. Na nieuw onderzoek is uiteindelijk op 17 augustus 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (besluit 2). Bij dit besluit is de weigering van een nabestaandenuitkering opnieuw gehandhaafd, thans primair op de grond dat appellante geschikt was voor haar eigen werk als mariscadora en subsidiair op de grond dat zij in passende arbeid een zodanig inkomen kan verdienen dat zij niet arbeidsongeschikt is.

5.1. Nu met besluit 2 niet aan het beroep van appellante tegemoet is gekomen, moet dit besluit met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb in het geding worden betrokken. De Raad ziet aanleiding besluit 2 eerst te beoordelen.

5.2. Ter zitting van de Raad van 13 januari 2012 heeft de Svb aangegeven de in besluit 2 neergelegde primaire grond voor weigering van een nabestaandenuitkering niet te handhaven. Deze grond behoeft derhalve geen bespreking.

5.3. De subsidiaire grond, de geschiktheid voor passende arbeid, berust op een medische beoordeling en een arbeidskundige beoordeling. De Raad stelt voorop dat het hier gaat om een beoordeling van appellantes toestand op 19 februari 2002, de overlijdensdatum van haar echtgenoot, en de drie daarop volgende maanden. De Raad verwijst in dit verband naar artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de ANW.

5.4. Bij de medische beoordeling heeft de verzekeringsarts Van Eldijk in zijn rapport van 22 november 2004 (onder andere) als zijn oordeel gegeven dat er bij appellante sedert 2003 sprake is van incidenteel opspelende rugklachten, zodat deze klachten bij de beoordeling van de situatie in 2002 buiten beschouwing moeten blijven. De Raad heeft hierin aanleiding gezien de Svb de vraag voor te leggen hoe zich dit verhoudt tot de zich in het dossier bevindende gegevens. Volgens de verklaring van haar huisarts leed appellante sinds 1999 aan recidiverende thoracolumbale pijnen. Voorts ontving zij van

30 november 2001 tot en met 30 juli 2002 een uitkering wegens kortdurende arbeidsongeschiktheid van het Instituto Social de la Marina in verband met rugklachten en gewrichtsklachten aan de rechter elleboog. In reactie op deze vraag van de Raad heeft de Svb een notitie van 19 augustus 2011 van de verzekeringsarts Van Eldijk ingezonden. Hierin merkt deze op dat bij het onderzoek door de INSS in 2004 bij appellante een normale rugfunctie werd gevonden. Zij was ten tijde van dat onderzoek weer werkzaam in haar - als ‘ontzettend zwaar’ omschreven - eigen werk van verzamelaar van schaal- en schelpdieren. Nu er in 2004 geen sprake was van pathologie aan de thoracolumbale wervelkolom, was dat ook voordien niet het geval. Appellante kan tijdelijk buiten staat zijn geweest om haar normale taken uit te oefenen, maar van structurele beperkingen is geen sprake, aldus Van Eldijk. De Svb neemt dit standpunt over.

5.5. Met het onder 5.4 weergegeven standpunt ziet de Svb eraan voorbij dat dient te worden vastgesteld of bij appellante op 19 februari 2002 sprake was van arbeidsongeschiktheid die daarna ten minste drie maanden heeft voortgeduurd. Het gaat er derhalve niet om vast te stellen of bij appellante sprake was van langdurige, structurele beperkingen, maar of appellante in genoemde periode arbeidsongeschikt was in de mate als omschreven in artikel 11 van de ANW.

5.6. Gezien het onder 5.3 tot en met 5.5 overwogene is ook thans, tien jaar na de in geding zijnde periode, nog steeds niet op de juiste wijze onderzocht of bij appellante sprake was van arbeidsongeschiktheid waaraan zij een aanspraak op een nabestaandenuitkering ingevolge de ANW kon ontlenen. Een juiste beoordeling is in het voorliggende geval door dit tijdsverloop niet of nauwelijks meer mogelijk. Nader onderzoek wordt in dit stadium van de procedure dan ook niet meer aangewezen geacht en de Raad zal de zaak beoordelen aan de hand van de thans bekende gegevens. Hij neemt daarbij in aanmerking dat het tijdsverloop is toe te schrijven aan de Svb, nu niet tijdig is gestart met het onderzoek en daarna lange periodes zonder voortgang zijn verstreken. Naar aanleiding van hetgeen namens de Svb ter zitting van de Raad van

13 januari 2012 naar voren is gebracht, merkt de Raad op dat appellante bij haar aanvraag reeds heeft aangegeven arbeidsongeschikt te zijn, zodat onderzoek aangewezen was. Dat het hier volgens de opgave van appellante om tijdelijke arbeidsongeschiktheid ging, maakt dit niet anders. Dan was ten minste de vraag aan appellante op zijn plaats geweest hoe lang deze arbeidsongeschiktheid heeft geduurd. Overigens wijst de Raad erop dat appellante op 11 juni 2002 heeft aangegeven sinds november 2001 arbeidsongeschikt te zijn, zodat zij volgens haar eigen opgave de gehele hier van belang zijnde periode arbeidsongeschikt was.

5.7. Nu een juiste beoordeling door toedoen van de Svb niet of nauwelijks meer mogelijk is, mag de onduidelijkheid omtrent appellantes aanspraken niet voor haar rekening worden gebracht. De gegevens mede in dit licht beziend, hecht de Raad doorslaggevende betekenis aan de verklaringen van de Spaanse artsen die appellante op 11 februari en

4 maart 2002 hebben onderzocht in het kader van de beoordeling van haar recht op een uitkering op grond van tijdelijke arbeidsongeschiktheid. Volgens deze verklaringen waren de functionele beperkingen van appellante “totaal”. Nu appellante ook nadien, tot en met 30 juli 2002, ongeschikt is geacht voor haar eigen werk, houdt de Raad het ervoor dat zij gedurende die periode zodanig beperkt was dat zij de haar voorgehouden functies niet kon vervullen. Geconcludeerd moet dan ook worden dat appellante wegens arbeidsongeschiktheid in aanmerking komt voor een nabestaandenuitkering in verband met het overlijden van haar echtgenoot op 19 februari 2002. De Raad voegt daaraan meteen toe dat uit de gedingstukken blijkt dat appellante arbeidsongeschikt is geweest tot en met 30 juli 2002 en daarna geschikt is bevonden voor haar eigen werk. De haar toekomende nabestaandenuitkering kan derhalve per 31 juli 2002 worden beëindigd.

5.8. Ter voorkoming van geschillen omtrent de beëindiging van de uitkering merkt de Raad nog het volgende op. Bij uitspraak van 23 maart 2007, LJN BA1702, en diverse uitspraken van na die datum, heeft de Raad geoordeeld dat het voor de hand ligt om bij toepassing van artikel 11 van de ANW zo mogelijk aansluiting te zoeken bij de regelgeving en jurisprudentie met betrekking tot het begrip arbeidsongeschiktheid in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en de inmiddels ingetrokken Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (kortweg: de arbeidsongeschiktheidswetten), aangezien de wetgever met het bepaalde in artikel 11 van de ANW kennelijk heeft beoogd aan te sluiten bij de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in de arbeidsongeschiktheidswetten. In zijn uitspraak van 15 juli 2011, LJN BR1933, heeft de Raad daaraan toegevoegd dat ook bij de intrekking van een nabestaandenuitkering ingevolge de ANW aansluiting moet worden gezocht bij regelgeving en jurisprudentie inzake de arbeidsongeschiktheidswetten, zodat bij het voorhouden van functies een uitlooptermijn in acht moet worden gehouden om de betrokkene de gelegenheid te geven zich te beraden op zijn nieuwe situatie en zich te oriënteren op de arbeidsmarkt. In het geval van appellante is bij een beëindiging van haar nabestaandenuitkering per 31 juli 2002 geen sprake van een oriëntatie op de arbeidsmarkt. Zij is immers geschikt bevonden voor haar eigen werk en kon dat werk hervatten. Ook volgens de jurisprudentie inzake de arbeidsongeschiktheidswetten is in dit geval derhalve geen uitlooptermijn vereist.

5.9. De Raad merkt voorts op dat het feit dat appellante een pro rata nabestaandenuitkering uit Duitsland en Spanje ontvangt, niet doorslaggevend is voor haar recht op een dergelijke uitkering in Nederland. Om voor een nabestaandenuitkering ingevolge de ANW in aanmerking te komen, dient appellante te voldoen aan de voorwaarden die deze wet stelt.

5.10. Gezien het hiervoor overwogene is een beoordeling van de aangevallen uitspraak niet meer aan de orde. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking, met uitzondering van de bepaling dat de Svb een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van appellante met inachtneming van het in die uitspraak bepaalde. Deze bepaling dient te worden vernietigd.

6.1. Met betrekking tot appellantes verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn overweegt de Raad als volgt. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt.

6.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 6.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

6.3. In dit geval is omtrent de vergoeding door de Svb wegens aan hem toe te schrijven schade ten gevolge van overschrijding van de redelijke termijn voor de bezwaarfase en de fase bij de rechtbank tussen partijen een schikking tot stand gekomen. Ter beoordeling staat thans derhalve slechts de fase van het hoger beroep. Deze fase is aangevangen met de ontvangst van het hoger-beroepschrift door de Raad op 27 augustus 2007 en eindigt met deze uitspraak. De behandeling heeft derhalve vier jaar en bijna zes maanden geduurd. Daarmee is de behandelingsduur van twee jaar met twee jaar en bijna zes maanden overschreden. De Raad ziet geen omstandigheden die aanleiding geven deze overschrijding gerechtvaardigd te achten. Zoals namens de Svb ter zitting van de Raad is verklaard, dient deze overschrijding te worden toegerekend aan de Svb, nu de zaak vanaf 21 december 2007, toen deze de Raad berichtte een nieuwe beslissing op bezwaar te zullen nemen, tot de datum van besluit 2, 17 augustus 2010, heeft stilgelegen.

6.4. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, is in beginsel een vergoeding gepast van € 500,– per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De Raad ziet geen aanleiding van dit bedrag af te wijken en stelt de schadevergoeding derhalve vast op € 2.500,–.

7. De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 1.127,– voor verleende rechtsbijstand. De Raad ziet voorts aanleiding te bepalen dat de Svb aan appellante het door haar in hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat de Svb een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van het in die uitspraak bepaalde;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt besluit 2;

Bepaalt dat de Svb een nieuw besluit op bezwaar neemt;

Veroordeelt de Svb tot betaling aan appellant van een schadevergoeding ten bedrage van € 2.500,–;

Veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.127,–;

Bepaalt dat de Svb het betaalde griffierecht van € 143,- aan appellante vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2012.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) K.E. Haan.

IvR