Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6087

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2012
Datum publicatie
20-02-2012
Zaaknummer
09-2003 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking BWOO-uitkering en terugvordering. De claim van appellante op zelfstandigenaftrek rechtvaardigt de veronderstelling dat appellante ten minste 22 uur en 33 minuten per week werkzaam is geweest als zelfstandige. De door de minister getrokken conclusie dat appellante vanaf 1 januari 2000 niet langer werkloos was, komt juist voor. De minister heeft zich verder, in verband met de terugvordering, op het standpunt mogen stellen dat appellante haar inlichtingingenplicht heeft geschonden. De minister was daarom bevoegd de onverschuldigd betaalde uitkering van appellante terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2003 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 maart 2009, 07/4488 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 16 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.C.A.M. van der Meer, advocaat. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M.J. Arets.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Met ingang van 21 september 1999 was appellante in het genot van een uitkering krachtens het Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) in verband met werkloosheid van zestien uren en 35 minuten per week. Bij brief van 1 april 2000 heeft appellante aan het toenmalige uitvoeringsorgaan medegedeeld dat zij per 1 mei 2000 een tolk- en vertaalbureau ging beginnen en dat zij met ingang van die datum geen gebruik wilde maken van de uitkering. Zij heeft bij brief van 3 augustus 2000 medegedeeld dat zij “met ingang van 1 mei 2000 weer beschikbaar (is) voor de

wachtgelduitkering”. De uitkering is haar weer verstrekt.

1.2. Uit in 2004 door de Belastingdienst verstrekte gegevens is het uitvoeringsorgaan gebleken dat appellante over de jaren 2000, 2001 en 2002 zelfstandigenaftrek heeft genoten.

1.3. Nadat appellante desgevraagd gegevens had verstrekt over de door haar in de jaren 2000 en volgende verrichte werkzaamheden - het gaat daarbij om een groot aantal uren per week, waarvan volgens de opgave het overgrote deel zogenoemde niet-productieve uren betreft - heeft de minister vastgesteld dat aan appellante vanaf januari 2000 ten onrechte uitkering is verstrekt. Bij besluit van 16 maart 2005 heeft de minister daarom de uitkering over de bedoelde periode herzien en heeft hij de ten onrechte betaalde uitkering teruggevorderd. De minister heeft het bezwaar daartegen ongegrond verklaard bij besluit van 2 oktober 2007 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de claim van appellante op zelfstandigenaftrek de veronderstelling rechtvaardigt dat appellante ten minste 22 uur en 33 minuten per week werkzaam is geweest als zelfstandige. Zij was als zelfstandige vanaf week 1 van 2000 dus gedurende meer uren werkzaam dan de zestien uur en 35 minuten waarop haar uitkering was gebaseerd. De daarop door de minister getrokken conclusie dat appellante vanaf 1 januari 2000 niet langer werkloos was, komt de rechtbank juist voor.

Volgens de rechtbank heeft de minister zich verder, in verband met de terugvordering, op het standpunt mogen stellen dat appellante haar inlichtingingenplicht heeft geschonden. Zij heeft immers geen opgave gedaan van de uren die zij als zelfstandige werkzaam was. De minister was daarom bevoegd de onverschuldigd betaalde uitkering van appellante terug te vorderen.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd - zoals zij eerder deed bij de rechtbank - dat zij in de periode waarin zij uitkering ontving, intensief werd begeleid door de re-integratieconsulent van het uitvoeringsorgaan en dat zij uit de contacten met hem had mogen afleiden dat zij haar, hoofdzakelijk niet-productieve, werkzaamheden voor het tolk- en vertaalbureau mocht verrichten zonder dat dit gevolgen zou hebben voor haar uitkering. Appellante stelt dat zij in haar contacten met de consulent en ook overigens voldaan heeft aan haar inlichtingenplicht. Voor zover daarover twijfel zou bestaan, moet het dossier van haar de nodige gegevens bevatten, maar door toedoen van het uitvoeringsorgaan zijn die stukken niet meer beschikbaar.

4. De minister onderschrijft de aangevallen uitspraak en volgt appellante niet in haar stelling dat zij heeft voldaan aan haar inlichtingenplicht. De minister wijst erop dat hij de door appellante desgevraagd in 2004 gedane opgave van de door haar als zelfstandige gewerkte uren geloofwaardig acht nu deze opgave dichter in de buurt komt van de door appellante geclaimde zelfstandigenaftrek. Het door appellante gedane beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet: de door appellante bedoelde re-integratieconsulent, die ter zitting bij de rechtbank als getuige is gehoord, heeft niet verklaard dat hij toezeggingen aan appellante heeft gedaan betreffende het behoud van de uitkering naast het verrichten van haar werkzaamheden als zelfstandige. Deze consulent, die al vanaf april 2000 niet meer werkzaam was voor het uitvoeringsorgaan, kon zich appellante niet meer herinneren. Hij heeft in algemene termen aangegeven dat uitkeringsgerechtigden als appellante uitgebreid werden gewezen op hun inlichtingenplicht. Dat het uitkeringsdossier van appellante is vernietigd, leidt naar de mening van de minister niet tot de conclusie dat de beslissing onzorgvuldig is genomen.

5. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Hij volgt de minister in zijn onder 4 uiteengezette verweer tegen de gronden van appellante in hoger beroep. Die kunnen dus niet slagen. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

6. Er zijn geen termen om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.G. Treffers en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2012.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.R. Schuurman.

HD