Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6056

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-02-2012
Datum publicatie
20-02-2012
Zaaknummer
11/2067 MAW + 11/5151 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Besluit tot intrekking van het besluit tot aanstelling van betrokkene als burgerambtenaar. Het bezwaarschrift van 8 september 2009 moet geacht worden gericht te zijn tegen het (bevoegd genomen) besluit tot intrekking van het besluit tot aanstelling van betrokkene als burgerambtenaar. Het bezwaarschrift is tijdig ingediend. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar was dus geen grond aanwezig. De rechtbank heeft ten onrechte appellant in de kosten van rechtsbijstand van betrokkene veroordeeld. In zoverre moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Hetgeen betrokkene tegen het nieuwe besluit heeft aangevoerd bevat geen grond voor het oordeel dat appellant niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen betrokkene niet per 1 april 2010 in zijn functie als burgerambtenaar aan te stellen. Het beroep van betrokkene op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2067 MAW

11/5151 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Defensie (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 februari 2011, 10/6442, (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (betrokkene)

Datum uitspraak: 16 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 15 augustus 2011 een nieuw besluit genomen. Betrokkene heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 5 januari 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C.H. Pot. Betrokkene is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene, luitenant-kolonel van de Militair Juridische Dienst, was geplaatst op de (militaire) functie van [functie] van het Opleidings- en Trainingscommando (Otco). Aan betrokkene zou met ingang van 1 april 2010 functioneel leeftijdsontslag worden verleend; daarom zou deze plaatsing per die datum eindigen.

1.2. Met instemming van betrokkene is op 24 juni 2009 de commandant van het Otco (C-Otco) verzocht om betrokkene per 1 april 2010 voor twintig uur per week en voor de duur van twaalf maanden aan te stellen als burgerambtenaar in zijn functie van [functie] (salarisschaal 12 van het Bezoldigingsbesluit burgerlijke ambtenaren defensie); dit is voor hem financieel gunstiger dan verlenging van de functieduur als militair. Hiermee heeft de C-Otco ingestemd. Het desbetreffende besluit is vervolgens op de beslissingslijst Indiensttreden geplaatst. Medio juli 2009 was het besluit nog niet geëffectueerd, omdat op een derde partij (de C-Persco) gewacht werd. Op

22 juli 2009 heeft betrokkene telefonisch van de C-Otco vernomen dat de C-Persco niet achter het aanstellingsbesluit zou staan. Na terugkeer van zijn vakantie heeft betrokkene op 24 augustus 2009 vernomen dat de C-Persco opdracht had gegeven het aanstellingsbesluit niet administratief te verwerken. Daarop heeft de C-Otco dat besluit ingetrokken.

1.3. In verband daarmee heeft betrokkene vervolgens het verzoek gedaan om voor drie jaar te mogen nadienen. Dat verzoek is bij besluit van 8 oktober 2009 ingewilligd. Bij besluit van dezelfde datum is met toepassing van artikel 17 van het Algemeen militair ambtenarenreglement de functieduur van appellant verlengd.

1.4. Betrokkene had op 8 september 2009 bezwaar gemaakt tegen de hem ter kennis gekomen opdracht van C-Persco het aanstellingsbesluit van de C-Otco niet administratief te verwerken en tegen de weigering hem een gemotiveerde aanstellingsbeslissing uit te reiken. Bij het bestreden besluit van 23 augustus 2010 is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard; eerst is overwogen dat bedoelde opdracht, opgevat als handeling bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet op rechtsgevolg is gericht; verder is overwogen dat betrokkene al op 22 juli 2009 met die opdracht bekend was geworden, zodat het bezwaarschrift niet verschoonbaar te laat is ingediend.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van die uitspraak; tevens heeft zij beslissingen gegeven over griffierecht en proceskosten (kosten van rechtsbijstand in beroep ten bedrage van € 874,-). De rechtbank heeft overwogen dat het bezwaar geacht moet worden te zijn gericht tegen de weigering van appellant te besluiten betrokkene als burgerambtenaar aan te stellen, bij welke weigering de belangen van betrokkene rechtstreeks zijn betrokken. Verder is de rechtbank ervan uitgegaan dat betrokkene niet op 22 juli 2009 maar pas op 24 augustus 2009 van de weigering heeft kennisgenomen, zodat het bezwaar daartegen tijdig is ingediend.

3. Appellant heeft als grond in hoger beroep de motivering van het bestreden besluit gehandhaafd. Tevens heeft hij zich gekeerd tegen de beslissing van de rechtbank over de proceskostenveroordeling.

Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad stelt voorop dat de C-Otco in mandaat bevoegd was te beslissen op het verzoek van betrokkene als burgerambtenaar te worden aangesteld. De C-Persco staat hier buiten. Hiervan uitgaande acht de Raad, anders dan de rechtbank en ook anders dan appellant, het bezwaarschrift van 8 september 2009 gericht te zijn tegen het (bevoegd genomen) besluit tot intrekking door de C-Otco van het besluit tot aanstelling van betrokkene als burgerambtenaar. Dit intrekkingsbesluit is voor bezwaar vatbaar. Verder is de Raad met de rechtbank van oordeel dat betrokkene niet op 22 juli 2009, maar op 24 augustus 2009 bekend is geworden met dat intrekkingsbesluit. Zoals in 1.2 is vastgesteld, was op 22 juli 2009 de stand van zaken rond de besluitvorming aan betrokkene nog niet met zekerheid bekend, wat wel het geval was op 24 augustus 2009. Dit betekent dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend. Voor het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar was dus geen grond aanwezig.

4.2. Hieruit volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht, zij het ten dele met een onjuiste motivering, heeft vernietigd. Het hoger beroep slaagt in zoverre niet.

4.3. Het hoger beroep slaagt wel, voor zover het is gericht tegen de proceskostenveroordeling waartoe de rechtbank heeft beslist. Volgens artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, heeft een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb uitsluitend bestrekking op kosten van een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hiervan was bij betrokkene geen sprake, omdat hij zich niet door een derde liet bijstaan. De rechtbank heeft dus ten onrechte appellant in de kosten van rechtsbijstand van betrokkene veroordeeld. In zoverre moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd.

5. De Raad beoordeelt op grond van artikel 6:19 van de Awb ook het nieuwe besluit van 15 augustus 2011. Bij dit besluit heeft appellant het verzoek van betrokkene om aangesteld te worden als burgerambtenaar gemotiveerd afgewezen.

5.1. Uit de gedingstukken komt naar voren dat appellant ten tijde hier van belang niet dan bij uitzondering gebruik maakte van zijn bevoegdheid een militaire functie te laten overgaan in een burgerfunctie. Hieraan liggen organisatorische argumenten ten grondslag. Appellant heeft in het nieuwe besluit toegelicht waarom hij in het geval van betrokkene niet een uitzonderingsgeval aanwezig acht. Hier doet zich niet het geval voor dat er voor de vervulling van de functie van betrokkene per 1 april 2010 geen militair beschikbaar was. De Raad heeft in hetgeen betrokkene tegen het nieuwe besluit heeft aangevoerd, geen grond gevonden voor het oordeel dat appellant niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen betrokkene niet per 1 april 2010 in zijn functie als burgerambtenaar aan te stellen. Het beroep van betrokkene op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Weliswaar kan betrokkene wijzen op het aanstellingsbesluit van de C-Otco, zoals dat op de beslissingslijst Indiensttreden is geplaatst, en ook op een felicitatie van het hoofd Juridische Zaken van de CLAS op 2 juli 2009. Betrokkene wist echter al op 22 juli daaropvolgend, dat het niet zeker was of dit besluit zou worden geëffectueerd. Hiermee kon hij zich toen al niet meer beroepen op bij hem gewekt vertrouwen

5.2. Uit het voorgaande volgt dat het beroep dat betrokkene geacht moet worden tegen het nieuwe besluit te hebben ingesteld, ongegrond verklaard moet worden.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij appellant is veroordeeld in de proceskosten van betrokkene;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 augustus 2011 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.G. Treffers en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2012.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.R. Schuurman.

HD