Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV5142

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
10-5746 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling WAZ-uitkering op basis van inkomsten uit arbeid berekend naar een mate van 65 tot 80%. Het Uwv heeft de fiscale bijtelling in verband met het privégebruik van een auto van de werkgever terecht als inkomsten uit arbeid aangemerkt. Voor het opnieuw vaststellen van het inkomen van appellant ten tijde van de toekenning van de WAZ-uitkering bestaat geen aanleiding, omdat appellant niet heeft aangetoond dat hij toen al voor privédoeleinden kon beschikken over een auto van de werkgever, noch met stukken de waarde daarvan heeft aangetoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5746 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 3 september 2010, 10/1669 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 15 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft J.J.G. van der Voort hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door Van der Voort. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is met ingang van 11 mei 1982 een uitkering op grond van (thans) de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, welke met ingang van 28 februari 1993 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 21 januari 2009 heeft het Uwv de hoogte van de

WAZ-uitkering op basis van de inkomsten van appellant over 2006 opnieuw berekend en bepaald dat de uitkering met ingang van 1 januari 2006 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.2. Bij besluit van 15 mei 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 januari 2009 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat appellant in 2006 inkomsten ten bedrage van

€ 12.828, - heeft gehad.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep zijn eerder bij de rechtbank ingenomen standpunt herhaald dat het bedrag aan inkomsten grotendeels bestond uit een fiscale bijtelling van € 849,75 per maand in verband met het privégebruik van een auto van [naam werkgever] (werkgever) en dat, nu hij al vanaf het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid in 1980 privé gebruik van een auto van de werkgever, daarmee ook voor de vaststelling van zijn inkomen ten tijde van de toekenning van de WAZ-uitkering rekening moet worden gehouden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Voor een weergave van de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv de fiscale bijtelling in verband met het privégebruik van een auto van de werkgever terecht als inkomsten uit arbeid heeft aangemerkt. Het gegeven dat het om een aan de ziekte van appellant aangepaste auto gaat met een cataloguswaarde van € 45.000, - levert geen bijzondere omstandigheid op die aanleiding geeft om af te wijken van het uitgangspunt om in beginsel doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de in het kader van de fiscale wetgeving gemaakte keuze.

4.3. Voor het opnieuw vaststellen van het inkomen van appellant ten tijde van de toekenning van de WAZ-uitkering bestaat geen aanleiding, omdat appellant niet heeft aangetoond dat hij toen al voor privédoeleinden kon beschikken over een auto van de werkgever, noch met stukken de waarde daarvan heeft aangetoond. De rechtbank heeft het bestreden besluit dan ook terecht in stand gelaten. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende;

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en B.M. van Dun en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) N.S.A. El Hana.

TM