Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV5047

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-02-2012
Datum publicatie
17-02-2012
Zaaknummer
11-2722 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2722 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te Marokko (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 april 2011, 08/2020 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 15 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is op 4 januari 2012 ter behandeling aan de orde gesteld. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een weergave van de relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Daarbij is het beroep van appellant tegen het besluit van het Uwv van 27 mei 2008 (bestreden besluit) tot niet-ontvankelijkverklaring van appellants bezwaarschrift tegen het besluit van 29 juni 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet tijdig bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 29 juni 2004. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak (waarin het Uwv is aangeduid als verweerder en appellant als eiser), voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

“Het dient er […] voor gehouden te worden dat verweerder op 10 augustus 2004 een poststuk van eiser heeft ontvangen.

Dit betekent echter naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat moet worden aangenomen dat het door verweerder op 10 augustus 2004 ontvangen poststuk een bezwaarschrift was, gericht tegen verweerders besluit van 29 juni 2004. De inhoud van het poststuk is door het in het ongerede raken daarvan immers niet bekend. De rechtbank heeft eiser daarom verzocht om een kopie te overleggen van het poststuk dat hij op 29 juli 2004 aangetekend heeft verstuurd. Eiser heeft niet aan dit verzoek willen of kunnen voldoen.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval daarom niet voldoende aannemelijk is geworden dat de door verweerder op 10 augustus 2004 in ontvangst genomen brief daadwerkelijk een bezwaarschrift was dat zich richtte tegen verweerders besluit van 29 juni 2004.”

2. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat hij arbeidsongeschikt is, onder medische behandeling is en recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Appellant heeft ook in hoger beroep geen kopie overgelegd van het bezwaarschrift dat hij naar zijn zeggen op 29 juli 2004 naar het Uwv heeft gestuurd en dat daar op 10 augustus 2004 in ontvangst is genomen. Daardoor is niet vast komen te staan dat het op 10 augustus 2004 bij het Uwv ontvangen poststuk een bezwaarschrift was, gericht tegen het besluit van het Uwv van 29 juni 2004.

3.2. Appellant heeft wel brieven overgelegd, gedateerd 2 december 2004 en 27 september 2005, waarin hij informeert naar de stand van de bezwaarprocedure. Die brieven zijn bij het Uwv echter niet ontvangen. De verzending van die brieven is niet vast komen te staan. Daarom kunnen die brieven niet bijdragen aan het op appellant rustende bewijs van de tijdige indiening van een bezwaarschrift tegen het besluit van 29 juni 2004. Ook de brief van appellant van 12 november 2006, waarin hij bij het Uwv heeft geïnformeerd naar de stand van zaken rond zijn aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering van 9 september 2003, duidt er niet op dat appellant tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen genoemd besluit.

3.3. Uit 3.1 en 3.2 volgt dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van het Uwv van 29 juni 2004. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en B.M. van Dun en B. Barentsen als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) N.S.A. El Hana.

TM