Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV3867

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-02-2012
Datum publicatie
14-02-2012
Zaaknummer
10-2833 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. In de FML voldoende rekening gehouden met de beperkingen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de passendheid van de geduide functies voldoende toegelicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2833 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 maart 2010, 09/954 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.A.J. Saman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante en het Uwv hebben nadere stukken overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2011. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. M.P.W.M. Wiertz.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 18 september 2006 uitgevallen voor haar werk als verkoopmedewerker voor gemiddeld 31,88 uur per week vanwege klachten aan haar bewegingsapparaat.

1.2. Bij besluit op bezwaar van 9 februari 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van het Uwv waarbij is vastgesteld dat voor appelante met ingang van 15 september 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante op 15 september 2008 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid - welke beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 16 juli 2008 - maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van deze drie functies met het voor appellante geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA op 15 september 2008 van minder dan 35%.

2. Ter zitting van de rechtbank op 23 juli 2009 is gebleken dat appellante op de datum in geding medicatie gebruikte, waarop de bezwaarverzekeringsarts aan de FML op 28 juli 2009 beperkingen heeft toegevoegd ten aanzien van persoonlijk risico en vervoer. Voorts heeft de bezwaararbeidsdeskundige op 25 augustus 2009 het opleidingsniveau herzien en in verband daarmee een nieuwe arbeidsmogelijkhedenlijst opgesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd doch de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat er geen reden is om meer beperkingen aan te nemen dan in de FML van 28 juli 2009 zijn neergelegd. Daar het verdienverlies nog steeds minder is dan 35% heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd met verwijzing naar de in bezwaar- en beroep geuite gronden. Zij heeft in het bijzonder gewezen op de brieven van neurochirurg Maas van 24 september 2008 en 28 oktober 2008 en op haar stelling dat zij in de periode van juli 2008 tot maart 2009 niet beschikbaar was om passende functies te verrichten omdat zij allerlei therapieën en onderzoeken onderging. Mocht de brief van neuroloog Feenstra van 22 december 2008 van belang worden geacht, dan staat appellante het inschakelen van een deskundige voor omdat deze brief strijdig is met de eerdere verklaringen in het dossier.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv zorgvuldig is geweest. De Raad ziet, evenals de rechtbank, geen aanleiding te twijfelen aan de vastgestelde beperkingen, zoals vastgelegd in de FML van 28 juli 2009. De Raad overweegt daartoe als volgt.

4.2. Appellante is naar aanleiding van de aanvraag om een uitkering ingevolge Wet WIA door een verzekeringsarts van het Uwv onderzocht op 20 juni 2008. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 juli 2008. Uit brieven van neuroloog Feenstra van 20 december 2007, 10 januari 2008 en 3 juli 2008 blijkt dat appellante in januari en in juli 2007 succesvol is geopereerd aan twee hernia’s. Op 27 maart 2008 ziet de neurochirurg in een nieuwe MRI-scan geen aanwijzingen voor een infectie of HNP. De verzekeringsarts komt tot de diagnose HNP L4-L5 of L5-S1 en borderline persoonlijkheid. Beperkingen zijn in een FML van 16 juli 2008 aangenomen ten aanzien van trillingsbelasting, buigen (tijdens het werk), duwen of trekken, tillen of dragen, het hanteren van lichte voorwerpen en zware lasten, lopen (tijdens het werk), traplopen, klimmen, zitten (tijdens het werk), staan (tijdens het werk), buigen en of torderen.

4.3. Op 19 augustus 2008 is appellante wederom onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv, naar aanleiding van een melding van toename van de klachten na een val thuis. De verzekeringsarts acht de eerder, in de FML van 16 juli 2008, omschreven belastbaarheid nog steeds actueel. De verzekeringsarts concludeert in een rapport van 27 augustus 2008 dat sprake is van lage rugpijn zonder duidelijk objectiveerbare radiculaire verschijnselen. Dat standpunt ziet de verzekeringsarts achteraf bevestigd in de brief van revalidatiearts Schillebeekx van 29 juli 2008, die meldt dat sprake is van chronische lumbo-ischialgie rechts als restsequelles van een radiculair syndroom met nu op de voorgrond mechanische problematiek. De revalidatiearts acht een pijnbehandeling aangewezen met onder andere ergo- en fysiotherapie.

4.4. Appellante is ter voorbereiding van het besluit op bezwaar van 9 februari 2009 door een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv gezien tijdens de hoorzitting op 9 december 2008. De bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts zijn neergelegd in een rapport van 6 februari 2009. Bij de beoordeling van de belastbaarheid van appellante heeft de bezwaarverzekeringsarts acht geslagen op de in 4.2 en 4.3 vermelde informatie. Voorts neemt de bezwaarverzekeringsarts kennis van een second opinion van neurochirurg Maas. De bezwaarverzekeringsarts komt tot de conclusie dat klachten van appellante verklaard kunnen worden door postoperatieve littekenvorming bij een relatief smal wervelkanaal; er zijn geen medische bezwaren tegen werkhervatting in rugsparende arbeid. Naar het oordeel van bezwaarverzekeringsarts is in de FML van 16 juli 2008 voldoende rekening gehouden met de verminderde belastbaarheid van de rug.

4.5. Met betrekking tot appellantes beroep op de door neurochirurg Maas verstrekte informatie, overweegt de Raad als volgt. Op 24 september 2008 beschrijft neurochirurg Maas appellantes klachten. “De meeste klachten beschrijft zij bij te lang zitten en zij is beperkt in loopafstand. Ten gevolge van de bestaande klachten is er duidelijk sprake van disfunctioneren en kan patiënte bijvoorbeeld niet uitgaan en ook haar normale werkzaamheden niet uitvoeren.” Hij laat dan wederom een MRI-onderzoek doen. Op 17 december 2008 schrijft neurochirurg Maas dat dit onderzoek het relatief smalle wervelkanaal bevestigde. Het onderzoek toonde geen duidelijke aanwijzingen voor een recidief discushernia, wel postoperatieve littekenvorming. De klachten van patiënte kunnen voldoende verklaard worden op basis van het congenitaal nauwe wervelkanaal, in combinatie met postoperatieve littekenvorming. Hij heeft ter symptomatische behandeling een epidurale infiltratie geadviseerd. Met betrekking tot werkhervatting heeft hij in zijn schrijven aan de huisarts van 28 oktober 2008 gesteld dat daar vanuit zuiver medisch perspectief geen onmiddellijke bezwaren tegen zijn, al zou zijn advies zijn dat dit zeer geleidelijk gebeurd en in eerste instantie uitsluitend in rugsparend werk.

4.6. De Raad constateert dat Maas in het aangehaalde deel van zijn brief van 24 september 2008 geen medisch standpunt geeft doch appellantes klachtenrelaas weergeeft. In de brief van 17 december 2008 geeft hij - na onderzoek - zijn medische oordeel en zijn standpunt met betrekking tot werkhervatting: geen onmiddellijke medische bezwaren tegen werkhervatting. De Raad kan appellante dan ook niet volgen in de stelling dat uit de brieven van Maas volgt dat zij niet kan werken.

4.7. Voorts kan de Raad appellante niet volgen in de stelling dat de brief van neuroloog Feenstra van 22 december 2008 strijdig is met andere medische informatie. Op 22 december 2008 schrijft neuroloog Feenstra dat appellante op 6 november 2008 is teruggezien door de neurochirurg in verband met een nieuwe MRI-scan. Appellante wordt door de neurochirurg verwezen naar de pijnarts. Dit strookt met hetgeen Maas heeft geconstateerd. De Raad is dan ook van oordeel dat er geen reden is een medisch deskundige te benoemen.

4.8. Ten aanzien van de stelling van appellante dat zij in de periode van juli 2008 tot maart 2009 niet beschikbaar was om passende functies te verrichten omdat zij allerlei therapieën en onderzoeken onderging, overweegt de Raad dat appellante dit standpunt onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de gedingstukken blijkt inderdaad dat appellante onderzoeken en behandelingen heeft ondergaan en medici heeft geconsulteerd, echter appellante heeft niet onderbouwd dat daardoor gedurende de hele periode sprake was van geen benutbare mogelijkheden. In een email van 11 juli 2008 schrijft appellante aan het UWV dat zij een tense apparaat gaat gebruiken en dat zij zal worden opgeroepen voor een intensief pijnprogramma van twee à drie weken. Voorts heeft appellante aan de bezwaarverzekeringsarts meegedeeld dat zij op 20 januari 2009 zal starten met een revalidatiebehandeling. Wat er ook zij van de vraag of deze behandeling met zich brengt dat appellante geen benutbare mogelijkheden heeft, de behandeling vond in ieder geval plaats vier maanden na de datum in geding.

4.9. Naar het oordeel van de Raad heeft de bezwaararbeidsdeskundige de passendheid van de geduide functies voldoende toegelicht.

4.10. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevochten.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) K.E. Haan.

TM