Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV3815

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-02-2012
Datum publicatie
15-02-2012
Zaaknummer
10-2455 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Het College heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant onvolledige informatie heeft verstrekt over zijn feitelijke woonsituatie. Appellant is tekortgeschoten in de nakoming van de op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting. Recht op bijstand is niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2455 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 maart 2010, 09/5531 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 14 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2011. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft zich op 12 augustus 2009 gemeld bij het Marktplein Centrum/Oost voor het aanvragen van bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft bij de aanvraag opgegeven een kamer te huren op het adres [adres] te Amsterdam.

1.2. Naar aanleiding van de aanvraag heeft het College een onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader hebben handhavingspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (hierna: DWI) op 25 augustus 2009 een onaangekondigd huisbezoek gebracht aan het opgegeven adres. Appellant is daar niet aangetroffen. Vervolgens is op het kantoor van de DWI op 26 augustus 2009 met appellant een gesprek gevoerd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 augustus 2009. Bij besluit van 1 september 2009 heeft het College de aanvraag van appellant afgewezen op de grond dat appellant onvolledige informatie heeft verstrekt over zijn woonsituatie met als gevolg dat het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.3. Bij besluit van 20 oktober 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 1 september 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 oktober 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij voldoende en correcte informatie over zijn woonsituatie heeft verschaft en dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft geschonden.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand bestrijkt in beginsel de periode vanaf de datum van aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat de te beoordelen periode in dit geval loopt van 12 augustus 2009 tot en met 1 september 2009.

4.2. De vraag waar iemand woont dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verschaffen, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de vaststelling van het recht op bijstand. In een aanvraagsituatie ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant onvolledige informatie heeft verstrekt over zijn feitelijke woonsituatie. Daarbij kent ook de Raad zwaarwegende betekenis toe aan de verklaring van appellant, die hij heeft afgelegd op het kantoor van de DWI. Tijdens het gesprek met de handhavingspecialisten heeft appellant verklaard op de [adres] gemiddeld vijf tot tien dagen per maand en in de maand augustus 2009 misschien drie dagen op een bank in de woonkamer te hebben geslapen. Appellant heeft geweigerd aan te geven op welke andere adressen hij de rest van de maand verbleef. Tot een huisbezoek is het niet gekomen omdat appellant hieraan niet wilde meewerken. Appellant is door de handhavingspecialisten gewezen op de medewerkingsverplichting en de gevolgen van het niet meewerken aan het onderzoek. Onder deze omstandigheden, moet met de rechtbank worden geoordeeld dat appellant door geen duidelijkheid over zijn woonsituatie ten tijde van zijn aanvraag te verschaffen, is tekortgeschoten in de nakoming van de op hem ingevolge artikel 17, eerste en tweede lid, van de WWB rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting. Hierdoor is niet vast te stellen of appellant ten tijde in geding verkeerde in omstandigheden zoals bedoeld in artikel 11 van de WWB.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en M. Hillen en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2012.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) B. Bekkers.

HD