Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV3685

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-02-2012
Datum publicatie
13-02-2012
Zaaknummer
11-2264 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Geen reden om het oordeel van de onafhankelijke door de rechtbank ingeschakelde deskundige niet te volgen. Appellante wordt niet gevolgd voor zover zij heeft willen betogen dat uit de rapporten van de deskundige volgt dat appellante ten aanzien van het vervoer meer beperkt is te achten dan in de FML is vermeld. Geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige dat appellante geschikt moet worden geacht de geduide functies te kunnen vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2264 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 maart 2011, 08/9325 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 10 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 december 2011. Namens appellante is haar dochter, [dochter], verschenen. Gemachtigde van appellante, M. Elfferich-van der Woude, is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.H.M. Schuyt.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is werkzaam geweest als leerkracht in het onderwijs eigen taal en cultuur. Zij is op 5 oktober 1992 uitgevallen wegens psychische klachten. Aan haar is met ingang van 1 januari 1996 een WAO-conforme uitkering toegekend, berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 28 februari 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 29 april 2008 verlaagd naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Het Uwv heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar bij beslissing op bezwaar (bestreden besluit) van 19 november 2008 ongegrond verklaard.

2.1. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting van 4 september 2009 geschorst en partijen de gelegenheid gegeven nadere reacties in te zenden. Hierna heeft de rechtbank een deskundige, de psychiater drs. R. Thomassen, verzocht een medisch onderzoek bij appellante te verrichten. Thomassen heeft een rapportage van 18 maart 2010 ingezonden, waarna partijen in de gelegenheid zijn gesteld nader te reageren en de deskundige nog een brief van 8 september 2010 ingezonden heeft. Vervolgens heeft een nadere zitting op 23 november 2010 plaatsgevonden. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen en de deskundige opnieuw een nadere vraagstelling voor te leggen, waarop deze heeft gereageerd in zijn brief van 16 december 2010. Partijen hebben vervolgens over en weer reacties ingezonden. Na ontvangst van de gegeven toestemming heeft de rechtbank bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft zij het onderzoek gesloten.

2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat de door Thomassen in zijn rapportage van 18 maart 2010 weergegeven beperkingen door de bezwaarverzekeringsarts afdoende zijn vertaald in de aangepaste Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 mei 2010, hetgeen ook geldt voor de beperking die alsnog ten aanzien van het vervoer is aangenomen. Deze en de overige beperkingen heeft de bezwaararbeidsdeskundige bij zijn onderzoek naar de geschiktheid van de geduide functies, in acht genomen. De rechtbank heeft voorts uit het nadere rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 17 januari 2011 afgeleid dat de vervoersproblematiek voor appellante geen obstakel hoeft te zijn voor het verrichten van arbeid, aangezien het voor het Uwv mogelijk is om voor appellante vervoersvoorzieningen te treffen en daarnaast van het steunsysteem de nodige begeleiding mag worden verwacht. De rechtbank kan zich hierin vinden en heeft geoordeeld dat het Uwv daarom de geselecteerde functies op goede gronden heeft gebruikt voor de schatting.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank de reactie van Thomassen van 16 december 2010 op de vragen die de rechtbank omtrent de vervoersproblematiek van appellante aan hem gesteld had, verkeerd geïnterpreteerd heeft. Appellante is van mening dat, zolang nog geen sprake is geweest van adequate therapie, zij als gevolg van agorafobie de werkplekken niet zal kunnen bereiken en daardoor niet in staat is de geduide functies te vervullen. Appellante verzoekt de Raad ten slotte zo mogelijk opnieuw een gerichte vraagstelling voor te leggen aan de deskundige, dan wel een andere deskundige te raadplegen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt voorop dat, gelet op het hoger beroep en het verhandelde ter zitting, thans alleen nog in geding is het oordeel van de rechtbank omtrent de juistheid van de vertaling van de beperkingen die appellante ondervindt bij het reizen als gevolg van de bij haar vastgestelde paniekstoornis met agorafobie. Voorts overweegt de Raad dat in vaste rechtspraak ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is geïndiceerd. Van dergelijke omstandigheden is de Raad niet gebleken. Daartoe heeft de Raad in aanmerking genomen dat het rapport van de psychiater Thomassen van 18 maart 2010 blijk geeft van een zorgvuldig en diepgaand onderzoek en dat hij vervolgens voldoende gemotiveerd antwoord heeft gegeven op nadere vraagstellingen van de rechtbank.

4.2. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn reactie van 6 mei 2010 op de rapportage van Thomassen van 18 maart 2010 aangegeven dat hij zich kan vinden in de door de deskundige voorgestelde aanvullende beperkingen met betrekking tot onder meer het item 2.10.1 (vervoer) en heeft de FML aangepast. Aangegeven is dat appellante vanwege haar agorafobie geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer en is aangewezen op een vervoersvoorziening.

4.3. Thomassen is na onderzoek tot de conclusie gekomen dat er bij appellante sprake is van een paniekstoornis met agorafobie. In zijn brief van 16 december 2010 heeft Thomassen nader overwogen dat het vanuit de klachtbeleving van appellante, het steunsysteem en mogelijk ook haar huidige behandelaar volstrekt ondenkbaar is dat zij überhaupt iets zelfstandig kan doen. Appellante kan niet voor zichzelf zorgen en zij kan niet zelfstandig het huis uit, laat staan dat zij in een taxi zou durven, wie daar verder ook bij zit, om naar een volstrekt ondenkbare plek te rijden, een plek waar zij werkzaamheden zou moeten verrichten. Thomassen voegt daaraan toe dat er, zoals eerder door hem is gesteld, een situatie is ontstaan van extreme fixatie op de angstklachten met cultuurgebonden elementen in de uitingen, waarmee hij overigens zeker niet wil suggereren dat hij de klachtbeleving overdreven of gesimuleerd vindt. Thomassen benadrukt echter tevens dat de klachtbeleving en onderhoudende factoren van de klachtbeleving iets anders zijn dan de symptomen en medische beperkingen die vanuit de vastgestelde diagnose (paniekstoornis met agorafobie) redelijkerwijs verwacht mogen worden. Volgens de deskundige zijn deze objectieve beperkingen duidelijk weergegeven in zijn eerdere rapportage. Voor zover appellante heeft willen betogen dat uit de rapporten van de deskundige Thomassen volgt dat appellante ten aanzien van het vervoer meer beperkt is te achten dan in de FML is vermeld, volgt de Raad haar, gelet op voorgaande beschouwingen, daarin dan ook niet.

4.4.De bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapportage van 17 januari 2011 aangegeven dat appellante sinds 29 april 2008 in staat moet worden geacht de geduide functies te vervullen, ook wanneer in aanvang met intensieve begeleiding gereisd moet worden. Hij heeft voorts opgemerkt dat van het steunsysteem (familie/huisgenoten) bij die aanvang de nodige begeleiding verwacht mag worden en dat daarna geleidelijk toegewerkt kan worden naar zelfstandig reizen met openbaar vervoer. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige en wijst er ten overvloede op dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft aangegeven dat het mogelijk is bij wijze van vervoersvoorziening eventueel een vergoeding toe te kennen voor het honorarium van een begeleider.

4.5. Gelet op de overwegingen 4.3 en 4.4 ziet de Raad geen aanleiding Thomassen opnieuw te raadplegen of een andere deskundige te raadplegen.

4.6. Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2012.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) I.J. Penning.

CVG