Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV3549

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-02-2012
Datum publicatie
14-02-2012
Zaaknummer
11-993 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verzoek van appellante betreft slechts een verzoek om informatie dat niet kan leiden tot het nemen van een besluit als bedoeld in de Awb. Bezwaar is door de minister terecht niet-ontvankelijk verklaard. Overschrijding redelijke termijn. Vergoeding immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/993 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 23 december 2010, 09/770 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Infrastuctuur en Milieu, voorheen de Minister van Verkeer en Waterstaat (minister)

Datum uitspraak: 2 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2012. Appellante is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.S. Andela en ing. J.J. Faassen.

II. OVERWEGINGEN

1. Het geding bij de rechtbank is aanvankelijk gevoerd ten name van de Minister van Verkeer en Waterstaat. In verband met een wijziging van taken is dit geding voortgezet ten name van de minister. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Minister van Verkeer en Waterstaat.

2. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

2.1. Appellante was vanaf 1 januari 1999 werkzaam als medewerker administratie/secretariaat, directoraat-generaal Rijkswaterstaat (RWS), directie Zeeland, dienstkring Schelde-Rijn, op basis van een tijdelijke aanstelling voor 20 uur per week met een proeftijd tot 1 januari 2001. Na herhaalde weigeringen appellante een vaste aanstelling te verlenen en ter zake daarvan gevoerde procedures heeft de minister haar uiteindelijk bij besluit van 26 mei 2005 per 1 januari 2001 een vaste aanstelling in genoemde functie verleend.

Bij besluit van 10 november 2005 heeft de minister in het kader van een reorganisatie van de sector Bedrijfsvoering van RWS appellante ingaande 1 januari 2006 geplaatst op een tijdelijke functie, zijnde haar eigen functie van medewerker secretariaat binnen het Facilitair Bedrijf van de Corporate Dienst.

2.2. Bij brief van 21 december 2006 heeft appellante de minister verzocht voor haar na te gaan wanneer de ingehouden pensioenpremies die vermeld staan op haar salarisspecificaties van augustus tot en met december 2005, zijn afgedragen aan het ABP.

Bij brief van 9 februari 2007 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit op dit verzoek. Bij het bestreden besluit van 23 juli 2009 heeft de minister dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. De minister heeft zich bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat appellante hem slechts om het geven van inlichtingen en dus niet om het nemen van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verzocht. De Raad stemt hiermee in. Immers, appellante beschikt op grond van geschreven noch van ongeschreven recht over een aanspraak om van haar overheidswerkgever te vernemen wanneer bepaalde pensioenpremies door hem voor haar zijn afgedragen aan het ABP. Het verzoek van appellante van 21 december 2006 betreft dan ook slechts een verzoek om informatie dat niet kan leiden tot het nemen van een besluit als bedoeld in de Awb. Haar bezwaar was dus niet-ontvankelijk zodat het hoger beroep in zoverre niet slaagt.

5. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding door de minister van beslistermijnen, welk verzoek de Raad opvat als een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5.1. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden, moet beoordeeld worden aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de procesgang en de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van appellante, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

5.2. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In die uitspraak heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in overweging 5.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

5.3. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de indiening van het bezwaarschrift van 9 februari 2007 tot de datum van deze uitspraak is vijf jaar verstreken. De Raad heeft vooralsnog noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen.

5.4. De redelijke termijn is daarom met een jaar overschreden. Deze is geheel aan de bestuurlijke fase toe te schrijven.

5.5. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb moet worden beslist omtrent appellantes verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase.

5.6. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd onder gegrondverklaring van het inleidend beroep en onder vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met artikel 6 van het EVRM. De Raad zal evenwel, gelet op het in 4.1 overwogene, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten.

5.7. De Raad acht het aannemelijk dat appellante als gevolg van de lange duur van de procedure een daadwerkelijke spanning en frustratie heeft ondergaan. De Raad acht om die reden termen aanwezig om de minister te veroordelen tot vergoeding van de door appellante geleden immateriële schade. De Raad stelt deze schadevergoeding vast op een bedrag van € 1.000,-.

6. De Raad acht geen termen aanwezig gedaagde in dit geding te veroordelen in de kosten (reiskosten) van appellante in beroep en in hoger beroep nu gedaagde bij uitspraak van de Raad van heden in de zaak 11/994 AW al is veroordeeld tot vergoeding van deze kosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 23 juli 2009;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt de minister tot vergoeding van schade aan appellante tot een bedrag van € 1.000,-;

Bepaalt dat de minister aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 374,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.G. Treffers en J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2012.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) M.R. Schuurman.

HD