Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV3158

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-02-2012
Datum publicatie
08-02-2012
Zaaknummer
11/88 WWB + 11/89 WWB + 11/7307 WWB + 11/7308 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke toewijzing bijzondere bijstand voor de meerkosten van de individuele aanvullende ziektekostenverzekering. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan de - extra - kosten van de aanvullende ziektekostenverzekering als noodzakelijk zijn aan te merken. Afwijzing bijzondere bijstand voor de kosten van het verplicht eigen risico voor de ziektekostenverzekering. Aan het hanteren van dit eigen risico ligt een bewuste keuze van de wetgever ten grondslag, die ertoe leidt dat in beginsel sprake is van een uitputtende - passende en toereikende - regeling, die een voorliggende voorziening oplevert. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat dit in de situatie van appellanten niet het geval is. Geen sprake van zeer dringende redenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/88 WWB

11/89 WWB

11/7307 WWB

11/7308 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 13 december 2010, 09/1433 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas (college)

Datum uitspraak: 8 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Op 5 april 2011 heeft het college ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Verstraten. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.W. van de Langemheen en S.R. Schipperheijn.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 14 mei 2009 heeft het college de aanvraag van appellanten om bijzondere bijstand in de kosten van het verplicht eigen risico voor de ziektekostenverzekering in 2008 en in de kosten van de premie van de individuele aanvullende ziektekostenverzekering over de periode 1 augustus 2008 tot en met 31 december 2008 afgewezen.

1.2. Bij besluit van 5 oktober 2009 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 mei 2009 gegrond verklaard, voor zover dat besluit ziet op de kosten van de premie van de individuele aanvullende ziektekostenverzekering over de periode 1 augustus 2008 tot en met 31 december 2008 en aan appellanten bijzondere bijstand verleend in een deel van deze kosten tot een bedrag van € 17,-- per persoon per maand. Hierbij heeft het college aansluiting gezocht bij het met ingang van 2009 van toepassing zijnde gemeentelijk beleid dat in geval van - de keuze voor - een individuele aanvullende ziektekostenverzekering een tegemoetkoming kan worden toegekend tot een bedrag - maximaal - ter hoogte van de kosten van de gemeentelijke collectieve aanvullende ziektekostenverzekering.

1.3. Bij besluit van 15 december 2009 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 mei 2009 ongegrond verklaard, voor zover dat besluit betrekking heeft op de kosten van het verplicht eigen risico voor de ziektekostenverzekering in 2008. Daartoe heeft het college overwogen dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van zeer dringende redenen op grond waarvan bijzondere bijstand voor deze kosten moet worden verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak - voor zover hier van belang - heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit 1 ingestelde beroep gegrond verklaard en het college opgedragen in zoverre een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 14 mei 2009. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat sprake is van een motiveringsgebrek. Het college kon niet zonder meer volstaan met het toekennen van bijzondere bijstand in een deel van de kosten van de individuele aanvullende ziektekostenverzekering tot een bedrag van € 17,-- per persoon per maand. Dit bedrag is in overeenstemming met de kosten van de gemeentelijke collectieve aanvullende ziektekostenverzekering waarbij wordt uitgegaan van de minst uitgebreide aanvullende ziektekostenverzekering. Het college heeft in strijd met artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) niet beoordeeld of sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan de meerkosten van de door appellanten afgesloten uitgebreidere aanvullende ziektekostenverzekering - waarvan de kosten € 39,45 per persoon per maand bedragen - als noodzakelijk zijn aan te merken. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit 2 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de (extra) kosten van de individuele aanvullende ziektekostenverzekering over de periode 1 augustus 2008 tot en met 31 december 2008 als noodzakelijk zijn aan te merken. Voorts hebben zij aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan zij mede in aanmerking komen voor bijzondere bijstand in de kosten van het eigen risico voor de ziektekostenverzekering over 2008.

4. Bij het in rubriek I vermelde besluit op bezwaar van 5 april 2011, voor zover hier van belang, heeft het college het standpunt ingenomen dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden als vermeld onder 2. Dit betekent dat het college niet is tegemoetgekomen aan het beroep van appellanten, hetgeen voor de Raad aanleiding is om op grond van het bepaalde in de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht dit besluit voor zover betrekking hebbend op de periode 1 augustus 2008 tot en met 31 december 2008 mede in zijn beoordeling te betrekken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De meerkosten van de individuele aanvullende ziektekostenverzekering over de periode 1 augustus 2008 tot en met 31 december 2008

5.1. Aangezien appellanten hebben verzocht om bijzondere bijstand in deze kosten ligt het in beginsel op de weg van appellanten om de noodzaak van die kosten aannemelijk te maken. Uit de gedingstukken volgt dat het college appellanten voorafgaand aan het - mede - ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 5 april 2011 uitdrukkelijk in de gelegenheid heeft gesteld om het standpunt dat de extra kosten van door hen afgesloten aanvullende ziektekostenverzekering noodzakelijk zijn te onderbouwen. Zo heeft het college appellanten gevraagd welke medische omstandigheden en welke vergoedingen de aanleiding zijn geweest voor de keuze van de uitgebreide aanvullende ziektekostenverzekering. Appellanten hebben volstaan met de stelling dat zij met diverse gezondheidsklachten kampen waardoor zij regelmatig gebruik maken van medische voorzieningen. Zij hebben hun standpunt op geen enkele wijze geconcretiseerd. Niet valt in te zien dat de door het college gevraagde informatie niet meer is te achterhalen. Aan de stelling van appellanten dat zij niet meer in de gelegenheid waren om zich alsnog aan te melden voor de gemeentelijke collectieve aanvullende ziektekostenverzekering wordt voorbij gegaan. Appellanten zijn in aanmerking gebracht voor bijzondere bijstand tot een bedrag ter hoogte van de kosten van deze verzekering.

5.2. Uit het voorgaande volgt dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan de - extra - kosten van de aanvullende ziektekostenverzekering over de periode 1 augustus 2008 tot en met 31 december 2008 als noodzakelijk zijn aan te merken. Het college heeft derhalve terecht geen aanleiding gezien om met toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB voor deze kosten bijzondere bijstand te verlenen.

De kosten van het verplicht eigen risico voor de ziektekostenverzekering in 2008

5.3. Aan het hanteren van dit eigen risico ligt een bewuste keuze van de wetgever ten grondslag, die ertoe leidt dat in beginsel sprake is van een uitputtende - passende en toereikende - regeling, die een voorliggende voorziening oplevert in de zin van artikel 15, eerste lid, van de WWB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 21 december 2010, LJN BO9361). In de stelling van appellanten dat hun gezondheidssituatie zodanig is dat de kosten van het eigen risico voor de ziektekostenverzekering zich jaarlijks voordoen is geen grond gelegen voor het oordeel dat dit in de situatie van appellanten niet het geval is. Dit geldt ook voor de stelling van appellanten dat zij - in verband met een aflossingsregeling waartoe zij niet zijn gehouden, maar waaraan zijzelf de voorkeur geven - de beschikking hebben over een inkomen beneden de beslagvrije voet, waardoor zij van een familielid moeten lenen om kosten als de onderhavige te voldoen.

5.4. Voor zover appellanten met hetgeen zij aan bijzondere omstandigheden naar voren hebben gebracht hebben beoogd een beroep te doen op artikel 16, eerste lid, van de WWB, overweegt de Raad dat deze omstandigheden niet kunnen worden beschouwd als zeer dringende redenen in de zin van die bepaling. Daarvoor is naar vaste rechtspraak vereist dat sprake is van een acute noodsituatie. Daarvan is niet gebleken.

5.5. Ook voor deze kosten geldt derhalve dat het college terecht geen aanleiding heeft gezien om met toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen.

5.6. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Ook het beroep tegen het besluit van 5 april 2011 treft geen doel.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 5 april 2011 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2012.

(get.) C. van Viegen.

(get.) R. Scheffer.

HD