Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV2939

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2012
Datum publicatie
06-02-2012
Zaaknummer
10-3907 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Gelet op de verklaringen van appellante en [G.] bestaat er voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat aan appellante gedurende de hier te beoordelen periode een groot aantal sieraden in eigendom toebehoorden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet redelijkerwijs kon beschikken over de sieraden die haar in eigendom toebehoorden. Onduidelijk is gebleven over welke sieraden appellante gedurende de hier te beoordelen periode beschikte of redelijkerwijs kon beschikken en welke waarde zij vertegenwoordigden. Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld of het vermogen van appellante bleef beneden de voor haar toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen en of zij recht had op bijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3907 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 juni 2010, 08/3175 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerhugowaard (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat te Alkmaar, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2011. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Hopman en door tolk A.S.W. Al Hamawandi. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.C. Verhulp en G.F. Norder, werkzaam bij de gemeente Heerhugowaard.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving van 28 september 2001 tot 19 maart 2004 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Uit een eerder afzonderlijk ingesteld onderzoek naar bijstandsfraude tegen appellante en haar partner [G.] (hierna: [G.]) is naar voren gekomen dat appellante bij de aanvraag om bijstand van 3 oktober 2001 niet had aangegeven dat zij in het bezit was van goud. Hierop is door de Sociale Recherche Noord-Holland Noord (hierna: sociale recherche) nader onderzoek gedaan. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is appellante verhoord en is gebruik gemaakt van het proces-verbaal dat is opgemaakt in het eerdere onderzoek (proces-verbaalnummer 2007/50). De bevindingen van het nadere onderzoek zijn neergelegd in een rapport dat is afgesloten op 21 april 2008.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 3 april 2008 de bijstand van appellante over de periode van 28 september 2001 tot 19 maart 2004 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 50.861,25 bruto van appellante terug te vorderen. Daaraan heeft het College primair ten grondslag gelegd dat appellante in de genoemde periode over vermogen heeft beschikt dat uitging boven de op haar van toepassing zijnde grens van het vrij te laten vermogen en subsidiair dat zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het College geen melding te maken van de aanwezige sieraden en dat als gevolg van die schending het recht op bijstand van appellante niet kan worden vastgesteld.

1.4. Bij besluit van 15 september 2008 heeft het College de bezwaren van appellante tegen het besluit van 3 april 2008 ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd op de daarin genoemde subsidiaire grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 september 2008 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Uit de gedingstukken blijkt dat op 3 december 2007 in de woning van appellante en [G.] een groot aantal sieraden is aangetroffen en in beslag is genomen. Appellante en [G.] hebben naar aanleiding daarvan verklaringen afgelegd. Appellante heeft op 13 februari 2008 het volgende verklaard: “u vraagt of ik het bezit van deze sieraden heb gemeld bij de sociale dienst als vermogen. Nee, dat heb ik niet gedaan. Ik ben nu vijftien jaar in Nederland. Ik had drie kilo goud toen ik uit Irak vandaan kwam. Een deel heb ik verkocht om de reis te betalen en een deel heb ik gehouden. Ik heb nooit geweten dat ik dit moest melden.” [G.] heeft op 11 februari 2008 op de vraag wie eigenaar is van de sieraden verklaard dat het allemaal sieraden zijn van zijn vrouw en dat zij die grotendeels heeft meegenomen uit Irak.

4.2. Gelet op de onder 4.1 weergegeven verklaringen van appellante en [G.] is de Raad van oordeel dat er voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt dat aan appellante gedurende de hier te beoordelen periode, die loopt van 28 september 2001 tot 19 maart 2004, een groot aantal sieraden in eigendom toebehoorden. Appellante heeft de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw en artikel 17, eerste lid van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door daarvan bij het college geen melding te maken. Het gaat hier immers om feiten of omstandigheden waarvan het haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn voor de verlening van bijstand.

4.3. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat in geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode, recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.4. Appellante heeft gesteld dat zij ten tijde van de aanvraag om bijstand niet daadwerkelijk over sieraden beschikte. Zij zat op dat moment in een “Blijf van mijn lijf-huis” en bezat niets. Toen appellante in 2004 weer met [G.] is gaan samenwonen, heeft zij de sieraden teruggekregen. Anders dan appellante aanvoert, betekent een en ander niet dat, ondanks de schending van de inlichtingenverplichting, het recht op bijstand kan worden vastgesteld. Bij de beoordeling van het recht op bijstand is immers niet slechts van belang of de betrokkene daadwerkelijk beschikt over vermogensbestanddelen, maar ook of hij daar redelijkerwijs over kan beschikken. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij niet redelijkerwijs kon beschikken over de sieraden die haar in eigendom toebehoorden.

4.5. Appellante heeft verder aangevoerd dat het recht op bijstand kan worden vastgesteld omdat de waarde van de sieraden kan worden bepaald. Ook deze beroepsgrond treft geen doel. Onduidelijk is gebleven over welke sieraden appellante gedurende de hier te beoordelen periode beschikte of redelijkerwijs kon beschikken en welke waarde zij vertegenwoordigden. Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld of het vermogen van appellante bleef beneden de voor haar toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen en of zij recht had op bijstand.

4.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad met de rechtbank en het College van oordeel dat appellante in strijd heeft gehandeld met de op haar rustende inlichtingenverplichting en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.7. De Raad komt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en W.F. Claessens en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2012.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J. van Dam.

IvR