Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV2847

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2012
Datum publicatie
06-02-2012
Zaaknummer
10-2476 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand. Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten van huishoudelijke verzorging over 2007 hoger zijn geweest dan hij heeft verantwoord, dient te worden geconcludeerd dat het bedrag dat hij, na aftrek van de eigen bijdrage, voor huishoudelijke verzorging heeft ontvangen, hoger is dan de hiervoor door hem gemaakte kosten. Dit brengt mee dat de eigen bijdrage voor de huishoudelijke verzorging feitelijk niet voor zijn rekening is gekomen, zodat er reeds hierom geen grond is voor verlening van bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2476 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 8 april 2010, 08/3521 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn (college)

Datum uitspraak: 31 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.P. van der Veer hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2012. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.R. Ooievaar.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 1 december 2006 heeft het Zorgkantoor Noord-Holland Noord (Zorgkantoor) aan appellant voor het jaar 2007 een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke verzorging toegekend. Het brutobedrag bedraagt € 4.977,--, de eigen bijdrage € 213,78 en het nettobedrag € 4.763,22. In het besluit is voorts vermeld dat appellant € 250,-- vrij te besteden heeft en het te verantwoorden bedrag € 4.513,22 bedraagt.

1.2. Appellant heeft op 28 juli 2008 een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand ingediend voor de onder 1.1 bedoelde eigen bijdrage.

1.3. Bij besluit van 5 augustus 2008 heeft het college deze aanvraag afgewezen.

1.4. Bij besluit van 21 oktober 2008 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 augustus 2008 ongegrond verklaard. Daaraan ligt, samengevat, het volgende ten grondslag. Appellant is een pgb van € 4.763,22 toegekend en heeft € 4.703,22 aan het Zorgkantoor verantwoord. Dit betekent dat appellant geen bijzondere kosten heeft en er geen noodzaak is voor verlening van bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat, nu op grond van de regels van het Zorgkantoor van het pgb € 250,-- vrij te besteden is en niet hoeft te worden verantwoord, het college in het kader van de bijzondere bijstand niet alsnog om verantwoording van dit bedrag mag vragen. Appellant heeft voorts verzocht om vergoeding van schade die hij als gevolg van het bestreden besluit heeft geleden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is van oordeel dat het feit dat appellant in het kader van het onder 1.1 bedoelde pgb een bedrag van € 250,-- niet aan het Zorgkantoor hoeft te verantwoorden, niet betekent dat het college in het kader van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage niet mag verlangen dat appellant aannemelijk maakt dat als gevolg van die eigen bijdrage een deel van de kosten van huishoudelijke verzorging over 2007 voor zijn rekening is gebleven. Tussen partijen is niet in geschil en ook de Raad gaat daarvan uit dat appellant over het jaar 2007 € 4.763,22 voor de kosten van huishoudelijke verzorging heeft ontvangen en € 4.703,22 aan het Zorgkantoor heeft verantwoord. Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten van huishoudelijke verzorging over 2007 hoger zijn geweest dan hij heeft verantwoord, dient te worden geconcludeerd dat het bedrag dat hij, na aftrek van de eigen bijdrage, voor huishoudelijke verzorging heeft ontvangen, hoger is dan de hiervoor door hem gemaakte kosten. Dit brengt mee dat de eigen bijdrage voor de huishoudelijke verzorging feitelijk niet voor zijn rekening is gekomen, zodat er reeds hierom geen grond is voor verlening van bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage.

4.2. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd en het verzoek om vergoeding van schade moet worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) V.C. Hartkamp.

HD