Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV2775

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
06-02-2012
Zaaknummer
10-5791 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bijduiding. De rechtbank heeft haar beoordeling terecht beperkt tot de vraag of het Uwv de functie van conciërge/huismeester/huisbewaarder heeft mogen bijduiden en of appellant geschikt is voor deze functie. De in geding zijnde functie vertoont een zodanige verwantschap met de oorspronkelijk geselecteerde functie dat het Uwv deze functie heeft mogen bijduiden. Appellant moet geschikt worden geacht voor deze functie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5791 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 16 september 2010, 10/1277 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 3 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming verleend voor afdoening buiten zitting.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan appellant is met ingang van 11 november 1983 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend. Laatstelijk ontving appellant een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke in verband met inkomsten niet geheel werd uitbetaald. In het kader van een herbeoordeling is appellant op 2 november 2006 onderzocht door de verzekeringsarts H. Konieczek, die in zijn rapport van dezelfde datum heeft vastgesteld dat appellant als gevolg van schouder-, pols- en knieklachten en een beperkte visus aan het linkeroog beperkingen heeft. Met inachtneming van deze beperkingen heeft deze verzekeringsarts op

2 november 2006 een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) vastgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige C. Ros in zijn rapport van 30 november 2006 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk van voeger maar nog wel geschikt voor een zestal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 15%. In overeenstemming met het rapport van de arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 8 december 2006 met ingang van 9 februari 2007 de WAO-uitkering van appellant ingetrokken.

2.1. In bezwaar heeft appellant gesteld dat zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het besluit van 8 december 2006 niet juist is. Hij heeft meer beperkingen en voorts heeft hij gesteld dat het Uwv de geschiktheid van hem voor de geselecteerde functies in onvoldoende mate heeft gemotiveerd. Bovendien bevatten naar zijn mening de toelichtingen op de verschillende items in de FML verborgen beperkingen.

2.2. Nadat de bezwaarverzekeringsarts A. de Vries informatie had opgevraagd bij de huisarts van appellant, is hij in zijn rapport van 6 maart 2007 tot de conclusie gekomen dat appellant tevens beperkingen heeft ten aanzien van dieptezien en huidcontact. Om die reden heeft hij de FML op 1 mei 2007 aangepast. Met inachtneming van deze aangepaste FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde een drietal functies voor appellant geselecteerd, te weten vleeswarenmaker met sbc-code 271070, conciërge/huismeester met sbc-code 261010 en chauffeur bijzonder vervoer met sbc-code 282101. Op basis van deze drie functies heeft hij in zijn rapport van 20 juni 2007 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 15 tot 25%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 10 juli 2007 het door appellant tegen het besluit van 8 december 2006 gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Daarbij is tevens bepaald dat de WAO-uitkering van appellant met ingang van 9 februari 2007 wordt gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

3.1. Tegen het besluit van 10 juli 2007 heeft appellant beroep ingesteld. Daarbij is onder meer gesteld dat hij niet geschikt is voor werkzaamheden op de vrije arbeidsmarkt.

3.2. De rechtbank heeft zich na het inschakelen van een deskundige, de psychiater R. Tonneijck, in haar uitspraak van 18 februari 2010, 07/7211, kunnen verenigen met de medische grondslag van het besluit van 10 juli 2007. Met de arbeidskundige grondslag daarentegen niet. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant volgens de FML op het item “geknield of gehurkt actief zijn” (punt 5.5 van de FML) normaal belastbaar is en dit betekent, daargelaten de vraag of de in de FML op dit item gegeven toelichting geen verborgen beperking inhoudt, dat appellant 2 keer per uur 5 minuten achtereen geknield of gehurkt actief mag zijn. In de functie van conciërge/huismeester moet appellant echter 10 minuten aaneengesloten geknield dan wel gehurkt actief zijn en daarmee wordt in deze functie de belastbaarheid van hem op dit item overschreden. Om deze reden heeft de rechtbank geoordeeld dat deze functie ten onrechte aan de schatting ten grondslag is gelegd. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 10 juli 2007 dan ook gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Voorts heeft de rechtbank het Uwv opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij het Uwv er op is gewezen, onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 18 november 2003,

LJN AO0425, en van 28 september 2004, LJN AR4685, dat, nu het gaat om een verlaging van een lopende uitkering, het Uwv slechts mag nagaan of er voldoende passende functies zijn bij te duiden die liggen in het verlengde van de reeds in het kader van de onderhavige schatting voorgehouden functies.

4. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de bezwaarverzekeringsarts J. Coehoorn de FML op 23 maart 2010 nogmaals aangepast door in de toelichting op het item “geknield en gehurkt actief zijn” op te nemen dat de normale belasting de maximale belasting is. Daarna heeft de bezwaararbeidsdeskundige F.M.A. Havermans op 1 april 2010 rapport uitgebracht. In plaats van de door rechtbank ongeschikt geachte functie van huismeester/conciërge met functienummer 8313-0281-002 heeft hij binnen dezelfde sbc-code de functie van conciërge/huismeester/huisbewaarder met nummer 8313-0170-001/002 geselecteerd. Mede op basis van deze laatstgenoemde functie heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op eveneens 15 tot 25%. Vervolgens heeft het Uwv, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, bij besluit van

7 april 2010 het bezwaar van appellant andermaal ongegrond verklaard.

5.1. Tegen dat besluit heeft appellant eveneens beroep ingesteld. Daarbij is gesteld dat de rechtbank in de voormelde uitspraak van 18 februari 2010 de functie van conciërge/huismeester met sbc-code 261010 onvoorwaardelijk heeft verworpen en dat betekent naar de mening van appellant, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 12 september 2008, LJN BF0731, dat het Uwv aan het bestreden besluit niet weer een functie met dezelfde sbc-code ten grondslag had mogen leggen. Om die reden is hij dan ook van mening dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden.

5.2. Dit beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank met betrekking tot de voormelde functies van vleeswarenmaker en chauffeur bijzonder vervoer overwogen dat de rechtbank in haar voormelde uitspraak van 18 februari 2010 heeft geoordeeld dat deze functies geschikt zijn voor appellant. Partijen hebben geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak zodat de geschiktheid van appellant voor deze functies in rechte is komen vast te staan. Met betrekking tot de door het Uwv bijgeduide functie van conciërge/huismeester/huisbewaarder met functienummer 8313-0170-001/002 heeft de rechtbank verwezen naar haar voormelde uitspraak van 18 februari 2010, waarin uitdrukkelijk is overwogen dat het Uwv is toegestaan functies bij te duiden, voor zover deze liggen in het verlengde van de reeds voorgehouden functies. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze functie aan deze voorwaarde. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de bezwaararbeidsdeskundige Havermans in zijn rapport van 1 april 2010 de geschiktheid van appellant voor deze functie in voldoende mate heeft aangetoond. De rechtbank is dan ook tot de conclusie gekomen dat het Uwv op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan haar eerdere uitspraak van 18 februari 2010 en heeft het beroep van appellant dan ook ongegrond verklaard.

6.1. In hoger beroep heeft appellant zijn bezwaren tegen de bijduiding van de functie van conciërge/huismeester/ huisbewaarder herhaald. Voorts heeft hij gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn stelling dat in deze functie sprake is van een overschrijding van de voor hem vastgestelde belastbaarheid op het item “knielen of hurken” (punt 4.22 van de FML). Daarnaast heeft hij een rapport van 8 november 2010 van de psycholoog M. Mansveld overgelegd en er op gewezen dat dit rapport, na een herbeoordeling, uiteindelijk heeft geleid tot het besluit van 31 januari 2011, waarbij hem met ingang van 6 december 2010 weer een WAO-uitkering is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daaraan heeft hij toegevoegd dat naar zijn mening de medische situatie van hem op 6 december 2010 niet anders was dan op het tijdstip dat thans in geding is, te weten 27 februari 2007.

6.2. Het Uwv heeft in hoger beroep een rapport van 30 november 2010 van Havermans overgelegd.

7.1. De Raad overweegt als volgt.

7.2. Appellant heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de voormelde uitspraak van de rechtbank van 18 februari 2010. Daarmee is de medische grondslag van het bestreden besluit in rechte komen vast te staan en dit betekent dat het door appellant ingenomen standpunt dat zijn medische situatie op 27 februari 2007 dezelfde was als op 6 december 2010 thans niet meer in rechte aan de orde kan komen.

7.3. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat, nu appellant geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 februari 2010, de geschiktheid van appellant voor de functies van vleeswarenmaker en chauffeur bijzonder vervoer in rechte is komen vast te staan. Dit betekent dat de rechtbank haar beoordeling terecht heeft beperkt tot de vraag of het Uwv de functie van conciërge/huismeester/huisbewaarder met functienummer 8313-0281-002 heeft mogen bijduiden en of appellant geschikt is voor deze functie.

7.4. Voor wat betreft de bijduiding onderschrijft de Raad de conclusie van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook de Raad is van oordeel dat de thans in geding zijnde functie een zodanige verwantschap vertoont met de oorspronkelijk geselecteerde functie van huismeester/conciërge met functienummer 8313-0281-002 dat het Uwv deze functie heeft mogen bijduiden. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant geschikt moet worden geacht voor deze functie. Daarvoor verwijst de Raad naar de rapporten van Havermans, waarin hij naar het oordeel van de Raad, onder weerlegging van het standpunt van appellant dat zich in deze functie een overschrijding van de belastbaarheid van appellant op item “knielen of hurken” voordoet, de geschiktheid van appellant voor deze functie in voldoende mate heeft gemotiveerd.

7.5. Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 februari 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M.D.F. de Moor.

TM