Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV2772

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
06-02-2012
Zaaknummer
10-6295 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning aanvraag kinderbijslag met ingang van het derde kwartaal van 2008. De door appellant aangevoerde redenen kunnen niet leiden tot het aannemen van een bijzonder geval. Appellant verkeerde kennelijk in de veronderstelling dat pas na 13 juli 2009, toen aan appellant en zijn gezinsleden met ingang van 23 augustus 2006 een verblijfsvergunning werd verleend, een (tweede) aanvraag om kinderbijslag kon worden ingediend. In een dergelijk geval zou een bijzonder geval kunnen worden aangenomen indien appellant de Svb tijdig en in voldoende mate had geïnformeerd over de mogelijke aanspraak op een verblijfstitel en over het verloop van de procedure. Gesteld noch gebleken is dat appellant de Svb hieromtrent heeft geïnformeerd voorafgaand aan de aanvraag van juli 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6295 AKW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 oktober 2010, 10/714 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).

Datum uitspraak: 3 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I.K. Kolev, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2011. Appellant is, met bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellant heeft in september 2005 kinderbijslag aangevraagd voor zijn twee kinderen. Bij besluit van 20 januari 2006 heeft de Svb deze aanvraag afgewezen omdat appellant op grond van zijn verblijfsstatus niet verzekerd was voor de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaarschrift ingediend.

1.3. Bij brief van 29 juli 2009 heeft appellant wederom kinderbijslag aangevraagd. Appellant heeft daarbij aangegeven aanspraak te maken op kinderbijslag ‘met volledig terugwerkende kracht’. Nadien heeft appellant beschikkingen van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 13 juli 2009 ingebracht, waaruit blijkt dat hem en zijn gezinsleden (alsnog) met terugwerkende kracht met ingang van 23 augustus 2006 een verblijfsvergunning regulier is verleend.

1.4. Bij besluit van 2 oktober 2009 heeft de Svb aan appellant ten behoeve van zijn twee kinderen met ingang van het derde kwartaal van 2008 enkelvoudige kinderbijslag toegekend. De Svb heeft geen verdere terugwerkende kracht aan deze toekenning gegeven omdat er in het geval van appellant geen sprake is van een bijzonder geval.

2. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 oktober 2009. De Svb heeft bij besluit van 11 januari 2010 (bestreden besluit) dit bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft zij overwogen dat de door appellant aangevoerde redenen waarom hij eerst in juli 2009 een (tweede) aanvraag om kinderbijslag heeft ingediend niet kunnen worden aangemerkt als een bijzonder geval, als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de AKW.

4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat er sprake is van een bijzonder geval omdat hij in redelijkheid kon menen dat er geen recht op kinderbijslag zou ontstaan totdat hem weer een verblijfsvergunning zou worden verleend. Nu met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning is verleend, meent appellant tevens recht te hebben op kinderbijslag met meer dan één jaar terugwerkende kracht.

5.1. De Raad overweegt het volgende.

5.2. Tussen partijen is in geschil of de Svb op goede gronden met ingang van het derde kwartaal van 2008 aan appellant kinderbijslag heeft toegekend ten behoeve van zijn twee kinderen.

5.3. Ingevolge artikel 14, derde lid, van de AKW kan het recht op kinderbijslag niet vroeger ingaan dan een jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kalenderkwartaal tijdens welk de aanvraag om kinderbijslag werd ingediend. In bijzondere gevallen kan de Svb hiervan afwijken.

Volgens het in de jurisprudentie aanvaarde beleid van de Svb is er sprake van een bijzonder geval:

- indien de belanghebbende door een niet aan hem toe te rekenen oorzaak niet in staat was tijdig een aanvraag in te dienen of te laten indienen;

- indien de belanghebbende onbekend was met zijn mogelijke recht op kinderbijslag en deze onbekendheid verschoonbaar was.

5.4. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant aangevoerde redenen niet kunnen leiden tot het aannemen van een bijzonder geval in de zin van artikel 14, derde lid, van de AKW. Appellant verkeerde kennelijk in de veronderstelling dat pas na 13 juli 2009, toen aan appellant en zijn gezinsleden met ingang van 23 augustus 2006 een verblijfsvergunning werd verleend, een (tweede) aanvraag om kinderbijslag kon worden ingediend. In een dergelijk geval zou op grond van de door de rechtbank vermelde uitspraak van de Raad van 18 november 2005, LJN AU6503, een bijzonder geval kunnen worden aangenomen indien appellant de Svb tijdig en in voldoende mate had geïnformeerd over de mogelijke aanspraak op een verblijfstitel en over het verloop van de procedure. Gesteld noch gebleken is dat appellant de Svb hieromtrent heeft geïnformeerd voorafgaand aan de aanvraag van juli 2009.

5.5. Overweging 5.4 leidt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2012.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) H.L. Schoor.

NW