Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV2761

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-02-2012
Datum publicatie
06-02-2012
Zaaknummer
11-1145 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond. Er kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. Voor kennisneming van een hoger beroep kan naar vaste rechtspraak echter grond bestaan, indien sprake is van een evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is. Deze uitzondering doet zich hier niet voor.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1145 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], Turkije (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2011, 10/135 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 3 februari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2011. Appellant is daarbij - met bericht van verhindering - niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M. Aalders.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij beroepschrift van 30 december 2009, door de rechtbank ontvangen op 12 januari 2010, heeft appellant beroep ingesteld tegen het besluit van de Svb van 7 december 2009.

1.2. Bij brief van 15 januari 2010 heeft de griffier van de rechtbank appellant in kennis gesteld van de hoogte van het verschuldigde griffierecht en hem in de gelegenheid gesteld het verschuldigde bedrag te voldoen binnen een termijn van vier weken, gerekend vanaf de dag volgende op die waarop deze brief is verzonden. Deze termijn is verstreken zonder dat het griffierecht is ontvangen.

1.3. Per aangetekende brief van 23 februari 2010 heeft de griffier appellant uitgenodigd dit verzuim binnen vier weken te herstellen.

1.4. Bij brief van 17 februari 2010, door de rechtbank ontvangen op 26 februari 2010, heeft appellant meegedeeld dat hij het griffierecht heeft overgemaakt. Ten bewijze daarvan heeft hij een kopie van de betalingsspecificatie bijgevoegd waaruit blijkt dat op 18 februari 2010 een bedrag van € 43,50 is overgemaakt.

1.5. Bij brief van 30 maart 2010 heeft de griffier van de rechtbank appellant in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat het griffierecht tijdig is betaald dan wel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest. Op deze brief heeft appellant niet gereageerd.

2.1. Bij uitspraak van 5 augustus 2010 heeft de rechtbank, onder toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het beroep van appellant tegen het besluit van 7 december 2009 niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen en dat uit het door appellant ingezonden betalingsbewijs alleen valt op te maken dat een bedrag van € 43,50 is overgemaakt, maar dat door het ontbreken van een bankrekeningnummer niet blijkt dat het bedrag naar het bankrekeningnummer van de rechtbank is overgemaakt. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het griffierecht naar het juiste rekeningnummer van de rechtbank is overgemaakt.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant overeenkomstig artikel 8:55 van de Awb tegen de uitspraak van 5 augustus 2010 gedane verzet ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat in de uitspraak van 5 augustus 2010 terecht is overwogen dat uit de specificatie niet blijkt naar welk bankrekeningnummer geld is overgemaakt en voorts dat in de betalingsspecificatie geen kenmerk is vermeld, waardoor onbekend is waarvoor de betaling dient.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen deze uitspraak. Hij heeft daarbij naar voren gebracht dat hij het griffierecht bij de rechtbank wel heeft voldaan.

4.1. De Raad overweegt het volgende.

4.2. Ingevolge artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet kan geen hoger beroep worden ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb. De aangevallen uitspraak betreft een dergelijke uitspraak en is derhalve volgens het toepasselijke procesrecht niet vatbaar voor hoger beroep.

4.3. Voor kennisneming van een hoger beroep in weerwil van deze bepaling kan naar vaste rechtspraak echter grond bestaan, indien sprake is van een evidente schending van eisen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen, zodanig dat van een eerlijk proces geen sprake is.

4.4. De Raad is van oordeel dat deze uitzondering zich hier niet voordoet.

4.5. Ingevolge artikel 8:41, eerste lid, van de Awb is de indiener van een beroepschrift een griffierecht verschuldigd. In het tweede lid van dit artikel wordt bepaald dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien het verschuldigde bedrag niet is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie is gestort binnen vier weken na de dag van verzending van de mededeling waarin de griffier op de verschuldigdheid daarvan heeft gewezen.

4.6. Vaststaat dat de rechtbank het verschuldigde griffierecht niet heeft ontvangen en dat appellant op kenbare en genoegzame wijze in de gelegenheid is gesteld dit verzuim te herstellen. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat appellant - in strijd met artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden - een eerlijk proces is onthouden. De Raad ziet dan ook geen grond om in dit geval aan het appèlverbod voorbij te gaan, zodat hij zich onbevoegd dient te verklaren.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2012.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) H.L. Schoor.

TM