Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV2535

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2012
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
10-4856 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens ziekte. Geen grond voor het oordeel dat er voor appellante bij de stichting ten tijde van het ontslag reële herplaatsingsmogelijkheden waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4856 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 21 juli 2010, 09/812 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellante

en

de Stichting openbaar primair onderwijs Almelo (hierna: stichting)

Datum uitspraak: 26 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. S.G. Volbeda, advocaat. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.W. van Putten-de Waard, [het bestuur].

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor een uitgebreidere weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was vanaf 1 april 2001 als leerkracht aan de openbare basisschool [naam basisschool] bij de stichting werkzaam met een werktijd van 24 uur per week. Zij had daarnaast, vanwege haar eerdere betrekking als leerkracht met een volledige weektaak, een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%. Na de intrekking van de WAO uitkering per 5 januari 2006 en daartegen aangewende rechtsmiddelen is de mate van arbeidsongeschiktheid bij besluit van 16 november 2007 met ingang van 5 januari 2006 wederom vastgesteld op 25-35%. Na een ziekmelding op 2 september 2008 heeft de bedrijfsarts de belastbaarheid van appellante voor lesgevende taken als minimaal aangemerkt. De verzekeringsarts van het Uwv heeft nadien geoordeeld dat er bij appellante een blijvende discrepantie is tussen haar arbeidsbelasting in de functie van leerkracht en haar gezondheidstoestand. Per 17 december 2008 is de WAO uitkering van appellante verhoogd naar een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na de ontvangst van een functieongeschiktheidsadvies van het Uwv heeft de stichting besloten appellante met ingang van 9 maart 2009 ontslag te verlenen wegens ziekte. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 29 juni 2009 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak is het laatste besluit in stand gebleven.

2. De beroepsgronden in hoger beroep zijn - evenals in eerste aanleg - beperkt tot de vraag of de stichting heeft voldaan aan de voorgeschreven herplaatsingsinspanningen alvorens ontslag wegens ziekte te verlenen. Dienaangaande eist artikel 20 van het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair onderwijs (BZA), dat er bij het bevoegd gezag voor de betrokkene geen reële herplaatsingsmogelijkheden zijn. Hiertoe onderzoekt het bevoegd gezag volgens het zevende lid eerst de mogelijkheid van plaatsing in een functie met passende arbeid en daarna, zo nodig, in een functie met gangbare arbeid.

3. Ter zitting is gebleken dat ook appellante het verrichten van werkzaamheden als groepsleerkracht niet meer mogelijk acht. Appellante heeft als mogelijke werkzaamheden met name genoemd de ICT-werkzaamheden die zij langdurig - al dan niet naast het werk als groepsleerkracht - aan [naam basisschool] heeft verricht en werk als zogenoemde IB-er. Appellante noemde ter zitting nog als mogelijkheid hulp van de zijde van de stichting bij een overgang naar werkzaamheden in een eigen bedrijf. Van de zijde van de stichting is toegelicht, dat er bij de stichting geen functies zijn als ICT-er of IB-er. De ICT- en

IB-taken worden door groepsleerkrachten verricht. Zij doen dit naast de werkzaamheden voor de klassen. Er is geen geld voor een medewerker die behoort tot de formatie van leerkrachten en die niet mede als groepsleerkracht werkt.

4. Aangezien de Raad geen grond ziet om het standpunt van de stichting als onjuist aan te merken, kan de Raad tot geen ander oordeel komen dan dat een plaatsing van appellante bij de stichting in een functie met passende of gangbare arbeid niet mogelijk was, zodat geen sprake was van de aanwezigheid van de in artikel 20 van het BZA genoemde reële herplaatsingsmogelijkheden. De Raad voegt hieraan toe dat artikel 20 van het BZA een bevoegd gezag niet verplicht om ten behoeve van de herplaatsing een functie te creëren. Dat ingevolge artikel 11 van het BZA van een bevoegd gezag ook verlangd kan worden om taken anders te groeperen ten einde de re-integratie van een zieke medewerker te bevorderen doet daar niet aan af. In de Nota van toelichting bij de wijziging van de artikelen 11 en 20 van het BZA (Stb. 2006, 395) wordt het creëren van een functie eveneens alleen genoemd als onderdeel van de re-integratiefase van artikel 11. De door appellante ter zitting voor het eerst genoemde hulp kan niet worden aangemerkt als betrekking hebbend op een functie bij de stichting met passende of gangbare arbeid.

Gelet op het vorenstaande en de lange duur van appellantes aangepaste werkzaamheden aan [naam basisschool] valt niet in te zien dat een (formeel op schrift gesteld verslag van een) herplaatsingsonderzoek toegevoegde waarde zou hebben gehad.

5. Aan de opvatting van appellante dat de stichting zich tot de ziekmelding van 2 september 2008 onvoldoende heeft ingespannen om appellante zoveel mogelijk passende arbeid te laten verrichten en haar werkzaamheden uit te breiden tot 24 uur per week komt in dit geding geen betekenis toe, omdat ook appellante zich na 2 september 2008 nog slechts in staat achtte tot het verrichten van ICT-werk gedurende enkele uren per week. In verband met de door appellante ook in hoger beroep geuite kritiek op de gang van zaken in augustus 2008 wijst de Raad erop dat appellante toen nog geacht werd in staat te zijn gedurende 24 uur per week (als groepsleerkracht) te werken. Pas na de ziekmelding van appellante op 2 september 2008 is vastgesteld dat werkzaamheden als groepsleerkracht al geruime tijd ongeschikt waren voor appellante.

6. Al het vorenstaande leidt de Raad tot het oordeel dat er geen grond is te oordelen dat er voor appellante bij de stichting ten tijde van het ontslag reële herplaatsingsmogelijkheden waren. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

7. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en B.J. van de Griend en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2012.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD