Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV2396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-01-2012
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
10-6116 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Fysiek geweld tegen leerling. Strafontslag. De Raad is van oordeel dat de stichting met alle thans voorliggende verklaringen op zichzelf beschouwd aannemelijk heeft gemaakt dat het incident heeft plaatsgevonden op de wijze als door J en de twee getuigen beschreven. Appellant heeft zich evenwel steeds beperkt tot een blote ontkenning van het hem verweten incident. Het incident uit 2009 kan het ontslag zelfstandig dragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6116 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 1 oktober 2010, 10/1373, (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Stichting [naam Stichting] (stichting)

Datum uitspraak: 26 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.C.L. Crozier, advocaat. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Kaufman, juridisch adviseur, en [V.].

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was werkzaam als conciërge op de Regionale Scholengemeenschap [naam scholengemeenschap]. Door middel van een e-mailbericht met datering 21 januari 2009, tijdstip 8:01, heeft de moeder van leerling J van de school bij de school melding gemaakt van een incident. Volgens de mail had appellant J die middag, vanwege baldadig gedrag, opgedragen het schoolplein schoon te vegen. De leerling had een gevatte opmerking gemaakt, waarna appellant de leerling bij de arm en zelfs bij de keel had gegrepen. De moeder had geen problemen met de opdracht om het plein schoon te maken, maar wel met de manier waarop appellant vervolgens op de opmerking van haar zoon had gereageerd.

1.2. Op 28 januari 2009 is aan appellant, vanwege fysiek geweld jegens J op woensdag 21 januari 2009, een besluit tot schorsing en tevens voornemen tot ontslag toegezonden. Daarin is door de stichting gesteld dat, hoewel de verbale interactie tussen een personeelslid en een leerling heftig kan zijn, het tot de professie van appellant behoort om zichzelf in acht te nemen en niet over te gaan tot fysiek geweld. Verder heeft de stichting in aanmerking genomen dat het gedrag van appellant tijdens het bewuste incident absoluut niet toelaatbaar is en dat elke kans op recidive met verstrekkender gevolgen uitgesloten moet worden. Appellant heeft zijn zienswijze op het voornemen tot ontslag kenbaar gemaakt. Bij besluit van 31 maart 2009 heeft de stichting appellant, op grond van artikel 9.b.3, aanhef en onder k, van de CAO Voortgezet Onderwijs 2008-2010 (CAO VO), per 1 april 2009 ontslag verleend. Daarbij heeft de stichting gesteld dat er gedurende de loopbaan van appellant op de school voortdurend problemen zijn geweest, dat met het laatste incident de maat vol is, en dat geen reden is gezien af te wijken van het voornemen van 28 januari 2009. Subsidiair is appellant, eveneens per 1 april 2009, ontslag verleend op grond van artikel 9.b.3, aanhef en onder l, van de CAO VO.

1.3. Appellant heeft tegen het besluit van 31 maart 2009 bezwaar gemaakt, en heeft hangende dit bezwaar de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 2 september 2009 heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen en het ontslagbesluit geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Bij besluit van 15 juli 2010 (bestreden besluit) heeft de stichting het bezwaar van appellant tegen het ontslagbesluit gegrond verklaard op het punt van de motivering van dat besluit, bepaald dat het ontslag zowel op de primaire als op de subsidiaire grond met aanvulling van de motivering in stand blijft, en de ontslagdatum gewijzigd in 1 augustus 2010.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Op grond van artikel 9.b.3, aanhef en onder k, van de CAO VO kan aan de werknemer ontslag worden verleend als disciplinaire maatregel, wegens plichtsverzuim. Ingevolge artikel 9.a.7, tweede lid van de CAO VO wordt onder plichtsverzuim verstaan het overtreden van de voor de werknemer geldende voorschriften, het niet nakomen van hem opgelegde verplichtingen, alsmede het doen of nalaten van datgene dat de werknemer bij een goede uitoefening van zijn functie behoort na te laten of te doen.

3.2. Met betrekking tot de toetsing van een disciplinair strafbesluit overweegt de Raad dat, naar vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld CRvB 26 april 2007, LJN BA4475 en TAR 2007,14), in het ambtenarentuchtrecht niet de in het strafrecht van toepassing zijnde strikte bewijsregels gelden. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de desbetreffende ambtenaar zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt.

3.3. In het kader van het verzoek van appellant om een voorlopige voorziening heeft de stichting een tweetal verklaringen ingediend van een collega-conciërge en van een teamleider binnen de school. De eerste persoon heeft verklaard dat J op een middag flink overstuur tegenover hem heeft verklaard dat appellant hem bij de keel had gegrepen, en dat de keel van J toen inderdaad rood was. De tweede persoon heeft verklaard dat de genoemde collega van appellant zich op 21 januari 2009 samen met J bij hem heeft gemeld, dat appellant J bij de keel had gegrepen, en dat de striemen in de hals duidelijk zichtbaar waren. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft geoordeeld dat met alleen deze twee verklaringen nog niet was voldaan aan het onder 3.2 genoemde vereiste van een deugdelijke gegevensvaststelling, nu de bewuste verklaringen niet op het aan appellant verweten incident als zodanig betrekking hebben, maar op gebeurtenissen nadien. De stichting heeft aan het bestreden besluit nog drie aanvullende verklaringen ten grondslag gelegd, te weten een verklaring van J zelf, en twee verklaringen van leerlingen die van het incident getuige stellen te zijn geweest. Volgens deze drie verklaringen heeft het incident in het schoolgebouw plaatsgevonden. Alle drie de betrokkenen hebben verklaard dat appellant J, nadat deze een opmerking had gemaakt terwijl hij aan het vegen was, bij de keel heeft gegrepen, hem tegen een muur met kluisjes heeft geduwd en hem daar gedurende enkele seconden heeft vastgehouden. In geen van de verklaringen is de datum van het incident genoemd.

3.4. De Raad is van oordeel dat de stichting met alle thans voorliggende verklaringen op zichzelf beschouwd aannemelijk heeft gemaakt dat het incident heeft plaatsgevonden op de wijze als door J en de twee getuigen beschreven. Daaraan doet niet af dat, met name gezien het vroege tijdstip dat is weergegeven in de mail van de moeder van J, de exacte datum van het incident niet onomstotelijk is komen vast te staan. Ook de omstandigheid dat de moeder van J in haar mail heeft vermeld dat het incident plaatsvond op het schoolplein, terwijl dit blijkens de overige verklaringen in het schoolgebouw was, doet aan de aannemelijkheid van de aan appellant verweten feiten als zodanig niet af. Nu de stichting derhalve alsnog toereikend feitenonderzoek heeft laten zien, was het aan appellant om twijfel te doen rijzen over de uitkomsten van dit onderzoek. Appellant heeft zich evenwel steeds beperkt tot een blote ontkenning van het hem verweten incident. Evenals de rechtbank ziet de Raad in die enkele ontkenning onvoldoende reden om de feiten zoals die uit de verschillende verklaringen naar voren komen in twijfel te trekken. De Raad gaat dus uit van de feiten zoals die uit het door de stichting verrichte onderzoek naar voren zijn gekomen.

3.5. Het aan appellant verweten gedrag, inhoudende het plegen van substantieel fysiek geweld jegens een leerling, moet worden beschouwd als zeer ernstig plichtsverzuim. Appellant heeft daarmee het in hem gestelde vertrouwen ernstig beschaamd en schade toegebracht aan het aanzien van de school. In hetgeen appellant naar voren heeft gebracht, vindt de Raad geen grond voor het oordeel dat de aan appellant opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag als onevenredig aan het door hem begane plichtsverzuim zou zijn te beschouwen. De Raad merkt in dit verband nog op dat hij van oordeel is dat het incident uit 2009 het ontslag zelfstandig kan dragen. Aan de houdbaarheid van het ontslag kan dan ook niet afdoen dat zich met betrekking tot de in het besluit van 31 maart 2009 genoemde eerdere problemen rondom appellant, onder de gedingstukken slechts documenten bevinden van vóór het jaar 2005.

4. Nu het ontslag op de primaire grond in rechte standhoudt, komt de Raad niet toe aan beoordeling van het ontslag op de subsidiaire grond.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2012.

(get.) J.G. Treffers.

(get.) B. Bekkers.

HD