Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV2339

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2012
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
10-1214 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening, intrekking en terugvordering bijstand, maatregel van 40% van de bijstand gedurende één maand. Hennepkwekerij. Schending inlichtingenverplichting. Recht op bijstand is niet vast te stellen. Het in werking hebben van een hennepkwekerij met een omvang als hier aangetroffen wordt volgens vaste rechtspraak van de Raad aangemerkt als een omstandigheid die van belang is voor de verlening van bijstand, ongeacht of daaruit (al) inkomen wordt ontvangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1214 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 21 januari 2010, 09/351 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Emmen (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Keijzer, advocaat te Emmen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 20 december 2011, waar partijen, met voorafgaand bericht van verhindering, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt vanaf 3 juli 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Op 24 september 2008 heeft de regiopolitie Drenthe, district Zuidoost, in de schuur achter de woning van appellant een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen met 75 hennepplanten, drie assimilatielampen, een afzuiginstallatie, een koolstoffilter, drie tijdschakelaars, een verwarmingselement, ventilatieapparatuur en diverse chemicaliën en electra benodigdheden. Op de zolder van de woning van appellant was een droog- en knipruimte aanwezig. Appellant heeft tegenover de politie verklaard dat hij één keer eerder had geoogst. Vervolgens heeft de sociale recherche op verzoek van het College een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verstrekte bijstand. Daarbij is gebruik gemaakt van de gegevens van de regiopolitie en is appellant verhoord.

1.3. Op grond van de resultaten van het onderzoek heeft het College bij besluit van 16 januari 2009 de bijstand herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 1 juli 2008 tot en met 30 september 2008, de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van € 3.190,64 van appellant teruggevorderd en een maatregel opgelegd van 40% van de bijstand gedurende één maand.

1.4. Bij besluit van 7 april 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 16 januari 2009 gedeeltelijk gegrond verklaard. Het College heeft de intrekking van bijstand beperkt tot de periode van 6 juli 2009 (lees: 2008) tot en met 24 september 2009 (lees: 2008) en het terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op € 2.794,54. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant in strijd met de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting niet heeft doorgegeven dat hij werkzaamheden verrichtte, bestaande uit het kweken van hennepplanten. Het gaat hierbij om op geld waardeerbare economische activiteiten waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting kan het recht op bijstand achteraf niet meer worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 april 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij niet heeft gehandeld in strijd met de inlichtingenverplichting, omdat hij de hennep kweekte voor eigen gebruik ter bestrijding van chronische pijn in zijn knie. Hij heeft met de hennepteelt geen inkomsten verworven en het was hem dan ook niet redelijkerwijs duidelijk dat sprake was van feiten en omstandigheden die van invloed konden zijn op zijn recht op bijstand, die hij had moeten melden. Naar de mening van appellant kan niet van hem worden verwacht dat hij bewijst dat hij geen inkomsten uit de hennepkwekerij heeft gehad, maar ligt de bewijslast hiervan bij het College, omdat het hier gaat om een belastend besluit. Hij heeft in dit verband onder meer verwezen naar de uitspraak van de Raad, van 12 mei 2009, LJN BI4343.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant gedurende de periode van 6 juli 2008 tot en met 24 september 2008 een hennepkwekerij heeft gehad waarvan hij het College niet op de hoogte heeft gebracht. De Raad stelt verder vast dat appellant tegen de terugvordering en de maatregel geen zelfstandige gronden heeft aangevoerd.

4.2. Gelet op de omvang van de kwekerij en de aangetroffen apparatuur is de Raad van oordeel dat sprake was van een professionele kwekerij. De stelling van appellant dat de hennep bedoeld was voor eigen gebruik acht de Raad, gelet op de omvang van de kwekerij, niet geloofwaardig en bovendien heeft appellant deze stelling niet met enig bewijs onderbouwd. Het in werking hebben van een hennepkwekerij met een omvang als hier aangetroffen wordt volgens vaste rechtspraak van de Raad aangemerkt als een omstandigheid die van belang is voor de verlening van bijstand, ongeacht of daaruit (al) inkomen wordt ontvangen. Nu appellant dit niet bij het College heeft gemeld, heeft hij de ingevolge artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het is dan vervolgens aan hem om aan te tonen dat hij, als hij het College wel van de kwekerij op de hoogte had gesteld, toch recht had op (aanvullende) bijstand. In de uitspraak van 12 mei 2009, LJN BI4343, waar appellant zich op heeft beroepen, heeft de Raad geoordeeld dat het College de schending van de inlichtingenverplichting niet had aangetoond, zodat sprake was van een niet met de onderhavige zaak te vergelijken situatie. Appellant heeft ook achteraf geen duidelijkheid verstrekt over de exacte omvang van de werkzaamheden, de oogsten, de kosten en de inkomsten. Dit betekent dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand van appellant over de periode van 6 juli 2008 tot en met 24 september 2008 niet kan worden vastgesteld en dat het College de bijstand over deze periode terecht heeft ingetrokken.

4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.N.A. Bootsma en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

HD