Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV2337

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-01-2012
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
11-2822 WWIK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep niet-ontvankelijk. Geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2822 WWIK

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 april 2011, 09/1500 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2011. Appellant is verschenen. Het College heeft zich - zoals bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 21 juli 2008 heeft het College de aan appellant verstrekte uitkering ingevolge de Wet inkomen kunstenaars en de Wet werk en inkomen kunstenaars over de periode van 3 oktober 2002 tot en met 2 oktober 2006 ingetrokken en de over deze periode gemaakte kosten van de uitkering tot een bedrag van € 35.671,86 van appellant teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van 5 juni 2009 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 juli 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 juni 2009 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt - samengevat - dat hij vanwege zijn overspannenheid niet in staat was tijdig beroep in te stellen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat het bestreden besluit op 8 juni 2009 aan appellant is verzonden en dat het door appellant is ontvangen. Het beroepschrift is gedateerd 22 augustus 2009 en door de rechtbank ontvangen op 26 augustus 2009. Daarmee staat vast dat de beroepstermijn van zes weken is overschreden.

4.2. Op grond van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) blijft

niet-ontvankelijkheidverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.3. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. De Raad volgt de rechtbank in haar oordeel dat uit de door appellant in beroep overgelegde verklaringen van 20 mei 2010 van zijn huisarts P.H. van de Rijt en van zijn psychotherapeut dr. G.P.J. Keijsers niet blijkt, dat appellant ten gevolge van zijn overspannenheid gedurende de gehele beroepstermijn buiten staat is geweest om een (eventueel voorlopig) beroepschrift in te dienen, dan wel daartoe de hulp van een derde in te schakelen. Voor dit oordeel ziet de Raad - evenals de rechtbank - steun in de door appellant op 25 juni 2009 - derhalve binnen de onderhavige beroepstermijn - aan het College verstuurde brief, waaruit ook blijkt dat appellant op de hoogte was van de mogelijkheid om beroep in te stellen en van de termijn waarbinnen dit diende te gebeuren.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) M.C. Nijholt.

HD