Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV2335

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-01-2012
Datum publicatie
01-02-2012
Zaaknummer
10-3623 WIA-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Nu betrokkene gemotiveerd heeft aangegeven dat twee Belcanto Comfort Plus hoortoestellen in zijn specifieke situatie noodzakelijk zijn, kan (het Uwv) niet zonder nadere motivering volstaan met de toekenning van een gemaximeerd bedrag van € 1.400,--. De rechtbank had niet zelf in de zaak mogen voorzien, nu de vraag welke hoortoestellen voor (het Uwv) de goedkoopste adequate oplossing zijn, niet is beantwoord, terwijl er nog onderzoeksmogelijkheden open staan. De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat het op de weg van (het Uwv) ligt om te onderzoeken welke hoortoestellen voor appellant de goedkoopste adequate oplossing zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2012/54 met annotatie van R. Ortlep
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3623 WIA-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 19 mei 2010, 09/7385 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellant

en

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

Datum uitspraak: 11 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2011. Namens appellant is verschenen W.H.M. Visser. Betrokkene is in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is werkzaam als viooldocent en heeft een gehoorbeschadiging. Hij heeft op 10 juli 2009 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wia) bij appellant een aanvraag ingediend voor vergoeding van de kosten van de aanschaf van twee Belcanto Comfort Plus hoortoestellen. De kosten van deze hoortoestellen samen zijn € 3.938,20. De zorgverzekeraar van betrokkene heeft aan hem voor deze toestellen een vergoeding verstrekt van € 978,40. Betrokkene heeft appellant verzocht aan hem het restant van € 2.959,80 te vergoeden. Daarbij heeft hij een brief overgelegd van de kno-arts dr. C.J. Brenkman van 3 april 2009, waarin deze verklaart dat het dragen van goede toestellen beiderzijds voor de werkzaamheden van betrokkene als viooldocent een absolute noodzaak is.

1.2. Bij besluit van 28 augustus 2009, gehandhaafd bij besluit van 14 september 2009, heeft appellant aan betrokkene een vergoeding toegekend van € 1.400,--, zijnde de in de Beleidsregels UWV normbedragen voorzieningen 2009 neergelegde maximale vergoeding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het beroep van betrokkene tegen het besluit van 14 september 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat betrokkene een aanvullende vergoeding van € 2.359,80 toekomt en dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Hiertoe heeft zij overwogen dat appellant met de vergoeding van € 1.400,-- geen adequate voorziening heeft verleend. Bij dit oordeel heeft de rechtbank de verklaring van Brenkman van 3 april 2009 betrokken. Voorts heeft de rechtbank meegewogen de verklaring van betrokkene ter zitting dat zijn doofheid met name de hoge frequenties betreft en dat hij verscheidene hoortoestellen heeft geprobeerd en dat uitsluitend de thans aangeschafte hoortoestellen de voor zijn werk als viooldocent noodzakelijke klankherkenning mogelijk maken. Omdat partijen geen geschikte deskundige konden aanwijzen heeft de rechtbank betrokkene gevolgd als ervaringsdeskundige. De rechtbank heeft het bij het zelf in de zaak voorzien redelijk en billijk geacht betrokkene € 300,-- per toestel te laten bijdragen, omdat niet valt uit te sluiten dat hij niet de goedkoopst adequate toestellen heeft gekozen.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank een deskundige had moeten benoemen in plaats van betrokkene als ervaringsdeskundige aan te wijzen, dat in de verklaring van Brenkman van 3 april 2009 slechts staat vermeld dat goede toestellen noodzakelijk zijn en dat de rechtbank niet zelf in de zaak had mogen voorzien zonder de essentiële vraag, namelijk of de door betrokkene gemaakte keuze de goedkoopste adequate voorziening is, te beantwoorden.

3.2. Betrokkene heeft bij het verweerschrift een aan hem gerichte brief van 5 augustus 2010 van de audicien S. Compaan gevoegd, waarin deze verklaart dat het voor betrokkene voor het uitvoeren van zijn vak van groot belang is dat een hoortoestel het geluid dat hij zonder hoortoestel niet kan opvangen zoveel mogelijk compenseert. Daarbij speelt niet alleen de juiste versterking een rol maar ook de juiste bandbreedte, waardoor zoveel mogelijk tonen hoorbaar worden gemaakt. Daarbij is nog aangegeven dat van het merk Oticon de Epoq serie hiervoor zeer geschikt is, omdat deze geluid kunnen aanbieden tot 10 kHz in plaats van de gebruikelijke 8 kHz. Tijdens de proefperiode en daarna heeft betrokkene ervaren dat het inderdaad een grote verbetering gaf in het uitvoeren van zijn vak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wia kan appellant, voor zover hier van belang, aan de persoon met een naar het oordeel van appellant structurele functionele beperking, en die arbeid in dienstbetrekking verricht, op aanvraag voorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid. Artikel 35, vierde lid, van de Wia bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur met betrekking tot dit artikel nadere regels kunnen worden gesteld.

4.1.2. Aan artikel 35, vierde lid, van de Wia is uitvoering gegeven door vaststelling van het Reïntegratiebesluit. Artikel 2, derde lid, van het Reïntegratiebesluit bepaalt dat bij de toepassing van dat besluit en de daarop berustende bepalingen, bij de beoordeling en berekening van de kosten en de verlening van een voorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid uitgegaan wordt van de goedkoopste adequate voorziening.

4.2. De Raad overweegt - onder verwijzing naar zijn uitspraak van 1 april 2009, LJN BI1281 - dat het maximeren van de vergoeding voor hoortoestellen weliswaar in beginsel niet onredelijk is, maar dat het bepaalde in artikel 2, derde lid, van het Reïntegratiebesluit meebrengt dat aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het concrete geval zal moeten worden beoordeeld of met de maximale vergoeding een niet alleen goedkoopste, maar ook adequate voorziening kan worden verleend.

4.3. De Raad is van oordeel dat, nu betrokkene gemotiveerd heeft aangegeven dat twee Belcanto Comfort Plus hoortoestellen in zijn specifieke situatie noodzakelijk zijn, appellant niet zonder nadere motivering kan volstaan met de toekenning van een gemaximeerd bedrag van € 1.400,--. Dat de verklaring van Brenkman van 3 april 2009 niet meer inhoudt dan dat het dragen van goede toestellen beiderzijds voor de werkzaamheden van betrokkene als viooldocent een absolute noodzaak is, doet daaraan niet af, nu uit deze verklaring kan worden afgeleid dat wellicht niet met een standaard hoorapparaat kan worden volstaan. Dit geldt evenzeer voor de verklaring van 5 augustus 2010 van Compaan. De Raad komt dus - evenals de rechtbank - tot het oordeel dat het besluit van 14 september 2009 niet in stand kan blijven.

4.4. De Raad stelt vervolgens voorop dat de benoeming door de rechtbank van een deskundige, gelet op art. 8:47 Algemene wet bestuursrecht, een discretionaire bevoegdheid van de rechtbank is. Nu het, gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen, op de weg van appellant ligt om nader onderzoek te doen naar de vraag of voor het toegekende bedrag van € 1.400,-- voor betrokkene adequate hoortoestellen kunnen worden aangeschaft, bestaat geen grond voor het algemene oordeel dat de rechtbank in dit geval van deze bevoegdheid gebruik had moeten maken.

4.5. De Raad is echter met appellant van oordeel dat de rechtbank niet zelf in de zaak had mogen voorzien, nu de vraag welke hoortoestellen voor appellant de goedkoopste adequate oplossing zijn, niet is beantwoord, terwijl er nog onderzoeksmogelijkheden open staan. De rechtbank had in dit geval de keuze moeten maken om óf een deskundige te benoemen om zelf in de zaak te kunnen voorzien, óf aan appellant een opdracht te geven nader onderzoek te laten doen naar bovengenoemde vraag.

4.6. Gelet op hetgeen onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen slaagt het hoger beroep van appellant voor zover dat betrekking heeft op het zelf in de zaak voorzien door de rechtbank, zodat de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de bepalingen inzake griffierecht, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het besluit van 14 september 2009 vernietigen. De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat het op de weg van appellant ligt om te onderzoeken welke hoortoestellen voor appellant de goedkoopste adequate oplossing zijn. De Raad ziet aanleiding met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het College op te dragen het hiervoor aangeduide gebrek in het besluit van 14 september 2009 te herstellen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt appellant op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 14 september 2009 te herstellen met in achtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2012.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD