Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV2323

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2012
Datum publicatie
31-01-2012
Zaaknummer
10/4898 AW + 11/56 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing sollicitatie. Niet kan worden gezegd dat de afwijzing van betrokkenes sollicitatie niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Dat betrokkene, voor het geval hij zijn studie fiscaal recht met goed gevolg zou afronden, een groepsfunctie I in het vooruitzicht is gesteld, is niet gebleken. Van een rechtens te honoreren opgewekt vertrouwen is derhalve geen sprake. Vernietiging aangevallen uitspraak. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4898 AW

11/56 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Staatssecretaris van Financiën (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 26 juli 2010, 10/467 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 19 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 6 december 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door R.H. Laurs, werkzaam bij de Belastingdienst. Betrokkene is verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene is vele jaren in dienst van de Belastingdienst, laatstelijk als heffingsfunctionaris F bij de Belastingdienst/Holland-Midden, vestiging Haarlem. Nadat betrokkene in 2002 een zogenoemde niveautest had gedaan en daarbij een positief resultaat had behaald, is hij in de periode 2003-2007 de studie fiscaal recht aan de Universiteit van Amsterdam gaan volgen.

1.2. In mei 2009 heeft hij gesolliciteerd naar de groepsfunctie I. Nadat hij door de voorselectie was gekomen, heeft er een sollicitatiegesprek plaatsgehad met de selectiecommissie. Deze commissie - die uitkwam op een totaalscore van veertien punten, waarmee betrokkene niet voldeed aan de vooraf gestelde minimumscore van achttien punten - heeft een unaniem negatief advies uitgebracht. Het samenvattend oordeel van de selectiecommissie luidde:

“heel star, niet flexibel, echte jurist, vakkennis/technisch zit wel goed (…), sociaal vaardig niet sterk, einzelgänger, duidelijk geen kc-klantgerichtheid, grote twijfel.”

1.3. Bij besluit van 19 juni 2009 heeft appellant betrokkene meegedeeld dat hij geen geschikte kandidaat is voor de groepsfunctie I. Toegelicht is dat betrokkene (bij de selectiecommissie) onder andere onvoldoende scoorde op de onderdelen flexibliteit en contactgerichtheid. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 15 december 2009.

2. De rechtbank heeft het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat de leden van de selectiecommissie uitsluitend zijn afgegaan op hun eigen interpretatie van het met betrokkene gevoerde gesprek. Naar de rechtbank heeft aangenomen beschikten de commissieleden niet over enige nadere (achtergrond)informatie over de kandidaten, bijvoorbeeld verslagen van beoordelingsgesprekken of andere input. Evenmin is gebleken dat de commissieleden uit hoofde van hun functie op enigerlei wijze kennis droegen van de wijze van functioneren van betrokkene dan wel zijn medekandidaten. De rechtbank heeft betrokkene gevolgd in zijn kritiek dat het bestreden besluit aldus het resultaat is van een onvoldoende evenwichtig afwegingsproces van de capaciteiten van betrokkene als sollicitant tegen de achtergrond van de eisen die aan de desbetreffende functie moeten worden gesteld.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. De beslissing van het bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure is het resultaat van een beoordeling van de capaciteiten van de betrokkene tegen de achtergrond van de functie-eisen. Daarbij heeft het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid. Daarom is de toetsing door de rechter terughoudend. Zij is, naast de overigens in aanmerking komende toetsing van het bestreden besluit aan regels van geschreven en ongeschreven recht en algemene rechtsbeginselen, beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen (CRvB 7 juli 2011, LJN BR1576).

3.2. Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of appellant in navolging van het advies van de selectiecommissie heeft kunnen oordelen dat betrokkene niet geschikt is voor de door hem geambieerde functie.

3.3. Appellant heeft - onbestreden - uiteengezet dat de groepsfunctie I vanwege de mogelijk conflicterende politiek-bestuurlijke, sociaal-maatschappelijke of financieel-economische belangen en prioriteitstellingen een vele malen groter afbreukrisico kent dan de groepsfunctie F. Deze aspecten vergen volgens appellant - en dit komt de Raad niet onjuist voor - verdergaande en andere vaardigheden dan de groepsfunctie F waarin de werkzaamheden in hoofdzaak worden verricht vanuit de wet- en regelgeving en op basis van een theoretische grondslag. Appellant heeft ter zitting in dit verband nog benadrukt dat in de groepsfunctie I sprake is van een aanzienlijke speelruimte voor de betrokken medewerker; in voorkomende gevallen moet worden onderhandeld met belastingplichtigen. Dit mede in aanmerking nemende, heeft appellant zich naar het oordeel van de Raad niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bij de sollicitatieprocedure betrekken van beoordelingen met betrekking tot het functioneren in een lagere, andere groepsfunctie niet zinvol is. Geen rechtsregel verplichtte appellant om (ook) beoordelingen te betrekken bij het oordeel omtrent de geschiktheid van betrokkene voor de door hem geambieerde functie.

3.4. Appellant heeft redelijkerwijs de nadruk mogen leggen op de eisen die de te vervullen functie stelt en waaraan dus in de toekomst zal moeten worden voldaan. Eveneens heeft hij redelijkerwijs grote betekenis mogen toekennen aan de wijze waarop betrokkene zich in het sollicitatiegesprek heeft gepresenteerd. Een en ander heeft de selectiecommissie - kort gezegd - tot het oordeel gebracht dat betrokkene weliswaar een hard werkende en gedreven medewerker is, maar anderzijds sterk is gericht op het naleven van regels en procedures en star en niet flexibel genoeg is. Dit heeft bij de commissie kennelijk geleid tot grote twijfel of betrokkene beschikt over de competenties die in de hoger gekwalificeerde groepsfunctie I worden verlangd. De Raad kan dit standpunt van de selectiecommissie niet voor onjuist houden. In het ter zitting verhandelde heeft de Raad de gerichtheid van betrokkene op het naleven van regels en procedures en zijn vrij geringe geneigdheid tot het sluiten van compromissen bevestigd gezien. Betrokkene heeft ter zitting beaamd dat het naleven van regels zijn belangrijkste richtsnoer is en erkend dat hij op dit punt niet zo flexibel is te noemen.

3.5. Op grond van het vorenstaande kan niet worden gezegd dat de afwijzing van betrokkenes sollicitatie niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

3.6. Dat betrokkene, voor het geval hij zijn studie fiscaal recht met goed gevolg zou afronden, een groepsfunctie I in het vooruitzicht is gesteld, is aan de Raad niet gebleken. Appellant heeft uitdrukkelijk ontkend dat een zodanige afspraak is gemaakt. Volgens appellant is slechts afgesproken dat het met succes afronden van deze opleiding betrokkene bij een sollicitatie naar een vacature voor een groepsfunctie I in een bevoorrechte positie zou brengen. Dit is volgens appellant ook gebeurd. De geschiktheid van betrokkene is als eerste beoordeeld. Pas toen betrokkene ongeschikt was bevonden, is de selectieprocedure met andere kandidaten voortgezet, aldus appellant. Betrokkene heeft voor de juistheid van zijn andersluidende stelling geen bewijs aangedragen. Van een rechtens te honoreren opgewekt vertrouwen is derhalve geen sprake, waarbij de Raad nog opmerkt dat een beroep op het vertrouwensbeginsel volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 19 november 2009, LJN BK4735) alleen kan slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt.

3.7. De Raad heeft ook overigens in hetgeen van de zijde van betrokkene is aangevoerd geen aanleiding gevonden te oordelen dat het bestreden besluit de terughoudende toetsing niet kan doorstaan; de onder 3.1 geformuleerde vraag moet dus ontkennend worden beantwoord.

3.8. Vorenstaande overwegingen brengen de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, omdat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen verklaart de Raad het beroep daarom ongegrond.

3.9. Dit brengt tevens mee dat aan het ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen besluit van 6 december 2010, dat de Raad op de voet van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in dit geding mede beoordeelt, de grondslag is komen te ontvallen. Daarom wordt ook dit besluit vernietigd.

4. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;

Vernietigt het besluit van 6 december 2010.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en M.C. Bruning en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2012.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) J. van Dam.

HD