Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV2066

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2012
Datum publicatie
30-01-2012
Zaaknummer
10-6870 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6870 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 16 november 2010, 09/753 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 27 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft H.J.A. Aerts, juridisch medewerker bij Advocatenkantoor Delescen te Roermond, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2011. Appellante is, zoals tevoren schriftelijk is bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellante ontvangt met ingang van 2 maart 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 19 maart 2009 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 20 mei 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van 8 september 2009 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de WAO-uitkering per 20 mei 2009 gecontinueerd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 25 oktober 2009 herzien naar 15 tot 25%.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat in de door de bezwaarverzekeringsarts bijgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 6 juli 2009 onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische en lichamelijke klachten. Bij appellante is fibromyalgie gesteld, ze heeft last van hypertensie en hyperthyreoïdie. Tevens is er sprake van een status na een rechterpolsoperatie. Als gevolg daarvan ondervindt appellante forse lichamelijke (pijn)klachten in heel haar lichaam. Er is sprake van forse slaapstoornissen, chronische vermoeidheidsklachten en energetische problemen. Naast de lichamelijke klachten heeft zij aanzienlijke cognitieve en psychische klachten, zich uitend in concentratie- en geheugenstoornissen, problemen ten aanzien van het houden en verdelen van de aandacht en emotionaliteit. Als gevolg van deze klachten heeft appellante een sterk wisselende belastbaarheid. Na elke vorm van inspanning heeft appellante een grote recuperatietijd nodig. Appellante stelt dat zij vanwege deze klachten niet is staat is fulltime arbeid te verrichten dan wel dat ten onrechte geen urenbeperking is aangenomen. Ter ondersteuning van haar stellingen heeft appellante gewezen op een, op haar verzoek in een eerdere beroepsprocedure ter zake van een (eerdere) herziening van de WAO-uitkering, op 19 februari 2007 uitgebracht rapport door dr. H.L.S.M. Busard. Appellante heeft in hoger beroep verzocht een deskundige te benoemen. In hoger beroep heeft appellante nog een medisch journaal van de huisarts overgelegd alsmede een brief van internist-endocrinoloog, K.M. van Tol van 28 oktober 2010. Tot slot is aangevoerd dat geen rekening is gehouden met haar medicijngebruik waardoor een beperking op het “item: vervoer” aangewezen was.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

4.3. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is om de vastgestelde beperkingen in de FML van 6 juli 2009 onjuist te achten. De Raad wijst op de rapportage van 3 juli 2009 van bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal. In deze rapportage heeft deze arts, indachtig zowel het voornoemd namens appellante overgelegde neuropsychiatrisch rapport van 19 februari 2007 van zenuwarts Busard alsmede de in die eerdere beroepsprocedure op verzoek van de rechtbank uitgebrachte expertise van 26 november 2007 van C.J.F. Kemperman, zenuwarts/neuroloog/psychiater, naar het oordeel van de Raad afdoende gemotiveerd waarom en op welke wijze de FML, zoals vastgesteld bij rapport van 16 januari 2009 door arts E.R. Berends, dient te worden bijgesteld. Deze aanpassingen heeft de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de FML van 6 juli 2009. De Raad schaart zich achter zijn rapportage.

In reactie op de in hoger beroep overgelegde medische gegevens, heeft bezwaarverzekeringsarts G.J. Dreijer aangegeven dat het bekende medische problematiek van de schildklier en fibromyalgie betreft. Dit beeld is stabiel. Voor wat betreft de hypertensie is de medicatie wat aangepast. Dit geeft geen nieuwe gezichtspunten omtrent de medische situatie. Met betrekking tot het medicijngebruik merkt de Raad op dat bij het vaststellen van de belastbaarheid het medicijngebruik van appellante bekend was. De Raad wijst op het rapport van arts Berends van 16 januari 2009. De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden noch heeft appellante daartoe nog nieuwe medische gegevens in het geding gebracht, dat appellante op het item 2:10 in de FML niet volgens de normaalwaarde zou kunnen functioneren.

Alle medische informatie in beschouwing nemend ziet de Raad geen aanleiding om een deskundige in te schakelen voor het verrichten van een expertise.

4.4. Met de rechtbank is de Raad, uitgaande van de juistheid van de FML van 6 juli 2009, van oordeel dat appellante in staat kan worden geacht de voor haar geselecteerde functies te verrichten. De Raad voegt daaraan toe dat geen van de functies een bijzondere belasting op het item 2.10 kent.

5.1. Gelet op het overwogene onder 4.2 tot en met 4.4. treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.2. Nu het hoger beroep niet slaagt, dient het verzoek om vergoeding van de door appellante geleden schade te worden afgewezen.

5.3. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2012.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) J.R. Baas.

GdJ