Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV2039

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2012
Datum publicatie
30-01-2012
Zaaknummer
10-4522 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Arbeidsongeschikt bij aanvang van de verzekering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Op grond van het geheel van de beschikbare medische gegevens staat genoegzaam vast dat appellant reeds voor en bij aanvang van zijn werkzaamheden forse beperkingen had. Geen objectief medische aanknopingspunten aangetroffen om de conclusies van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Het door appellant ter hand genomen werk bij de slagerij was van meet af aan te zwaar voor hem. Geen schending van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Geen bijzonder geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4522 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 6 juli 2010, 09/5130 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 27 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Pasman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en stukken ingezonden.

Appellant heeft nadere stukken in het geding gebracht, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Pasman en door J.W. Zegers als mede-gemachtigde. Tevens was als tolk aanwezig Y. Akkaya. Het Uwv was vertegenwoordigd door

mr. L.H.J. Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser en het Uwv als verweerder is aangeduid, ontleent de Raad de volgende weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

“Eiser is sinds 1 mei 2008 werkzaam als slagerij medewerker via de Stichting Uitzicht. Op 19 juni 2008 is eiser wegens rugklachten uitgevallen. Op 3 november 2008 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met verkorte wachttijd.

Bij besluit van 2 februari 2009 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij 100% arbeidsongeschikt wordt geacht en de uitkering per 21 januari 2009 wordt toegekend. Bij besluit van 9 februari 2009 trekt verweerder het besluit van 2 februari 2009 in. In het besluit van 8 juni 2009 deelt verweerder aan eiser mee dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering met verkorte wachttijd omdat eiser al arbeidsongeschikt was bij aanvang van de verzekering.”

1.2. Bij besluit van 12 november 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv, voor zover van belang, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 juni 2009 ongegrond verklaard.

2.1. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft daartoe in de eerste plaats overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat het medisch onderzoek dat ten grondslag heeft gelegen aan het bestreden besluit zorgvuldig is geweest en dat voorts door partijen onbestreden is dat appellant bij aanvang van zijn verzekering beperkingen had als gevolg van DISH (diffuse idiopatische skelethyperostose) en ten tijde van de uitval volledig arbeidsongeschikt dient te worden geacht.

2.3. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de verzekeringsarts appellant in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 april 2009, op grond van eigen onderzoek en de informatie van de reumatoloog H.A. Cats van 16 juli 2008, bij aanvang van de verzekering beperkt heeft geacht ten aanzien van onder meer staan en tillen.

2.4. Uit de beschikbare informatie, waarvan de rapporten van de arbeidsdeskundige van 29 mei 2009, van de bezwaararbeidsdeskundige van 29 oktober 2009 en van de bedrijfsarts van 3 juli 2008, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de belasting van de werkzaamheden die appellant bij aanvang van zijn functie feitelijk verrichtte, bestond uit (veelvuldig) staan en tillen.

2.5. Door de arbeidsdeskundigen is gemotiveerd dat de mate waarin gestaan en getild diende te worden de belastbaarheid van appellant overschrijdt. De maatmanfunctie was zodoende reeds bij aanvang van de verzekering ongeschikt.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen, anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, niet zorgvuldig is geweest en dat die artsen ten onrechte hebben geconcludeerd dat hij al bij aanvang van de verzekering beperkingen had zoals opgenomen in de FML van

23 april 2009.

3.2. Appellant heeft hierbij naar voren gebracht dat hij eerst na zijn uitval op 19 juni 2008 door de verzekeringsartsen is gezien, terwijl hij voorts betwist dat uit het overleg met de behandelend reumatoloog H.A. Cats zou zijn komen vast te staan dat hij bij aanvang van de verzekering op 1 mei 2008 reeds forse beperkingen had.

3.3. Ten slotte heeft appellant in dit verband, onder verwijzing naar nadere rapporten en verklaringen, onder meer een brief van Cats van 1 december 2011 en een brief van de neuroloog dr. G.W. van Dijk van eveneens 1 december 2011, gesteld dat aannemelijk is te achten dat zijn klachten bij uitval samenhingen met verschijnselen van wortelprikkeling, welke verschijnselen hij nog niet had toen hij met zijn werkzaamheden bij de slagerij begon en die ook niet noodzakelijkerwijs het gevolg zijn van de aandoening DISH die hij, wat door hem op zich niet wordt ontkend, al wel had toen hij zijn arbeid ter hand nam. Aannemelijk is daarom volgens appellant dat de reden van zijn uitval niet valt terug te voeren op bij aanvang reeds bestaande problematiek.

3.4. Daarnaast betwist appellant dat zijn werkzaamheden die hij bij de slagerij is gaan verrichten van meet af aan te belastend voor hem waren. Hij zou namelijk aangenomen zijn voor in- en verkoopwerkzaamheden, kassawerk en coördinerende werkzaamheden. Het zou daarbij gaan om fysiek lichte en overwegend zittend te verrichten arbeid. Doordat echter de bij de slagerij werkzame slager onverwacht na enkele weken opstapte, werd appellant vanaf dat moment ingezet voor de fysiek zwaardere arbeid als slager.

3.5. Ten slotte heeft appellant een beroep gedaan op gewekte verwachtingen, in welk verband hij erop heeft gewezen dat het Uwv bij besluit van 2 februari 2009 aan hem had medegedeeld dat hij volledig arbeidsongeschikt werd geacht en dat daarom aan hem per 21 januari 2009 een uitkering werd toegekend. Appellant mocht er dus op vertrouwen dat hem een uitkering toekwam. Appellant acht het uit een oogpunt van rechtszekerheid niet te aanvaarden dat het Uwv naderhand is teruggekomen van de toekennende beschikking.

4.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat tussen partijen niet in geschil is dat appellant, na jarenlang een bijstandsuitkering te hebben ontvangen, op 1 mei 2008 voor de Wet WIA verzekerd is geraakt met de werkzaamheden die hij ingaande die datum in dienst van de Stichting Uitzicht bij een slagerij is gaan verrichten.

4.2.1. Ten tijde in dit geding van belang bepaalde artikel 43, aanhef en onder c, van de Wet WIA dat volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 46, tweede lid, als uitsluitingsgrond geldt voor het ontstaan van recht op uitkering. Ingevolge artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, was artikel 43, onderdeel c, van toepassing indien sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid die bestond op het tijdstip van aanvang van de verzekering.

4.2.2. Zoals ook de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, heeft de Raad in zijn rechtspraak, onder meer in de uitspraak van 28 januari 2009, LJN BH2844, blijk gegeven van de opvatting dat de door hem gevormde jurisprudentie ten aanzien van artikel 30, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ook voor de toepassing van artikel 43, aanhef en onder c en artikel 46 van de Wet WIA zijn gelding blijft behouden. Volgens die jurisprudentie is voor toepassing van de onderhavige uitsluitingsgrond vereist dat de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties bevatten voor het bestaan van reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering. Uitsluitend het bestaan van klachten of beperkingen bij aanvang van de verzekering is niet toereikend voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid.

4.3.1. Voor de Raad staat op grond van het geheel van de beschikbare medische gegevens genoegzaam vast dat appellant reeds voor en bij aanvang van zijn werkzaamheden forse beperkingen had als gevolg van de aandoening DISH.

4.3.2. De behandelend reumatoloog Cats heeft in een schrijven van 7 augustus 2009 aan bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben meegedeeld dat hij appellant voor het eerst op 18 juni 2008 heeft gezien met op dat moment uitgebreide pijnklachten van wervelkolom, schouders en benen bij een ernstige en gevorderde morbus DISH. Tevens was er sprake van een perifere artrose, discopathieën op meerdere wervelkolomniveaus en sensibiliteitsstoornissen, waarvoor op dat moment verwijzing naar een neuroloog was geïndiceerd. Een MRI-scan van 1 juli 2008 liet uitgebreide afwijkingen zien, passend bij een morbus DISH met daarbij een relatieve vernauwing van het wervelkanaal, echter zonder evidente compromitatie of uittredende wortels. De ziekte DISH is, naar Cats aangaf, een langzaam progressieve ziekte, waarvoor geen goede behandeling bestaat.

4.3.3. De verzekeringsartsen hebben, gegeven onder meer evenvermelde informatie van Cats, aangenomen dat appellant als gevolg van de morbus DISH bij aanvang verzekering op 1 mei 2008 reeds forse rugbeperkingen ondervond. In de FML van 23 april 2009 zijn tal van beperkingen opgenomen in de rubrieken 4 (dynamische handelingen) en 5 (statische houdingen). Zo is appellant onder meer sterk beperkt geacht wat betreft tillen of dragen, in die zin dat hij in staat is geacht ongeveer 1 kilogram te tillen (incidenteel meer) en tijdens het werk maar een beperkt deel van de dag kan staan, ongeveer 1 uur.

4.3.4. De Raad heeft in hetgeen appellant naar voren heeft gebracht en aan nadere stukken in het geding heeft gebracht, geen objectief medische aanknopingspunten aangetroffen om de conclusies van de verzekeringsartsen inzake de ernst van de reeds bij aanvang verzekering bestaande rugaandoening van appellant en de daarmee gepaard gaande beperkingen bij het verrichten van arbeid, voor onjuist te houden. De Raad kan zich stellen achter de reactie van bezwaarverzekeringsarts Sijben, als vervat in het rapport van 14 december 2011 op de door appellant ingebrachte stukken, onder meer de stukken als vermeld onder 3.3. Deze reactie houdt in dat bij appellant sprake is van een degeneratief proces van de wervelkolom en dat appellant, toen hij zijn werkzaamheden aanvaardde, ook al last had van de degeneratieve verandering. Het is mogelijk dat de klachten onder invloed van arbeidsbelasting nog zijn toegenomen, maar op zich had appellant al bij aanvang van het werk forse beperkingen.

4.4.1. Voor de Raad staat tevens voldoende vast dat het door appellant ter hand genomen werk bij de slagerij van meet af aan te zwaar voor hem was en hij derhalve terecht daarvoor reeds vanaf de aanvang ongeschikt is bevonden.

4.4.2. De Raad kent hierbij in het bijzonder belang toe aan hetgeen appellant zelf over de aard en zwaarte van het werk tegenover de arbeidsdeskundige heeft verklaard. Uit het rapport van arbeidsdeskundige M. Arts van 29 mei 2009 komt naar voren dat appellant, in het bijzijn van J.W. Zegers als tolk, onder meer heeft verklaard dat hij in 2008 als slagersleerling kon gaan werken in een pas geopende Turkse slagerij. Vaak stond hij alleen in de winkel en werkte de slager in de slagerij. De eigenaar was vaak niet aanwezig. Hij heeft het werk met veel pijnklachten zeven weken volgehouden, tot het niet meer ging. Het werk was te zwaar voor hem, aldus appellant, mede doordat hij toch meer bijvulwerk deed dan was afgesproken. Hij hoorde pas later van een specialist, die hij consulteerde met zijn toegenomen pijnklachten, dat hij met zijn aandoening helemaal niet mag werken. De Raad hecht aan deze eerste verklaring van appellant inzake de aard en zwaarte van het eigen werk meer betekenis toe dan aan zijn latere verklaringen, waarin hij stelt dat het werk eerst na het verloop van enkele weken te zwaar voor hem is geworden.

4.4.3. Vergelijking van de verschillende deeltaken van appellants werk laat volgens de arbeidsdeskundige inderdaad zien dat het werk te zwaar voor appellant was. Hierbij heeft de arbeidsdeskundige in aanmerking genomen dat appellant de gehele dag moest staan, met korte stukjes lopen tussendoor en dat hij voorts regelmatig zwaarder moest tillen dan 1 kilo, waarmee de belastbaarheid van appellant fors werd overschreden.

4.4.4. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft de Raad geen aanleiding eraan te twijfelen dat de feitelijk door appellant verrichte werkzaamheden te zwaar voor hem waren. Ook al zou appellant kunnen worden gevolgd in de door hem benadrukte stelling dat de werkzaamheden die hij volgens afspraak zou gaan verrichten minder zwaar waren, dan doet dat niet af aan het gegeven dat hij in de praktijk, als gevolg van omstandigheden als door hem tegenover de arbeidsdeskundige aangegeven, toch fysiek zwaardere arbeid diende te verrichten.

4.4.5. De arbeidsdeskundige heeft bij raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem voorts geconstateerd dat er bij aanvang verzekering voor appellant onvoldoende andere passende functies vielen te duiden. De Raad heeft geen aanleiding om deze constatering in twijfel te trekken. De Raad merkt daarbij nog op dat deze constatering door appellant zelf ook niet als afzonderlijke beroepsgrond, dat wil zeggen naast zijn bezwaren tegen de voor hem bij aanvang verzekering in aanmerking genomen beperkingen, wordt betwist.

4.5. Op grond van het overwogene onder 4.1 tot en met 4.4.5 concludeert de Raad dat het Uwv terecht ervan is uitgegaan dat de omstandigheden van het geval voldoende en ondubbelzinnige indicaties bevatten voor het bestaan van reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering van appellant, en derhalve eveneens terecht het standpunt heeft ingenomen dat voor appellant ter zake van zijn uitval op 19 juni 2008 op grond van artikel 43, aanhef en onder c, van de Wet WIA geen recht op uitkering is ontstaan.

4.6. Ten slotte faalt ook het beroep van appellant op schending van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Voor het honoreren daarvan zou in een geval als het onderhavige alleen aanleiding kunnen zijn indien sprake zou zijn van een zo bijzonder geval dat strikte toepassing van artikel 43, aanhef en onder c, van de Wet WIA in die mate in strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel zou komen dat deze op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Gewekte verwachtingen leveren eerst dan een dergelijk bijzonder geval op indien gewezen kan worden op een ondubbelzinnige, schriftelijke mededeling van het uitvoeringsorgaan, aan welke mededeling geen onjuiste of onvolledige inlichtingen van betrokkene debet waren of dat de onjuistheid van dat standpunt door betrokkene anderszins niet had behoren te zijn onderkend.

4.7. Een bijzonder geval als bedoeld onder 4.6 doet zich hier niet voor. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, overweegt de Raad in dit verband dat het Uwv weliswaar bij besluit van 2 februari 2009 aan appellant ten onrechte heeft meegedeeld dat hij vanaf 21 januari 2009 een WIA-uitkering krijgt, maar tevens dat appellant had kunnen en ook behoren te onderkennen dat die mededeling wellicht niet juist was. Immers, zoals naar voren komt uit het rapport van 15 januari 2009 van arbeidsdeskundige F. Melchers, had appellant voordien in een telefonisch contact met Melchers, waarbij in verband met appellants gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal gebruik is gemaakt van de diensten van een huisgenoot, onder meer vernomen dat hij niet in aanmerking komt voor een loongerelateerde uitkering, omdat hij niet voldoet aan de referte-eis. Bovendien heeft het Uwv reeds zeer korte tijd nadien, bij besluit van 9 februari 2009, zijn vergissing hersteld en aan appellant, voor zover van belang, onder meer meegedeeld dat hij op dit moment geen WIA-uitkering krijgt.

4.8. Het overwogene onder 4.1 tot en met 4.7 leidt tot de slotsom dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) K.E. Haan.

JL