Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV1992

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-01-2012
Datum publicatie
27-01-2012
Zaaknummer
10-728 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. 2) Verlaging bijstand voor de duur van twee maanden met 20%. Geen melding gemaakt van de werkzaamheden in de hennepkwekerij. Schending inlichtingenverplichting. Geen urenregistratie en boekhouding bijgehouden zodat recht op bijstand niet worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/728 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 december 2009, 09/309 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.F. Roza, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend, met een bijlage.

Bij brief van 4 mei 2010 heeft appellant een arrest van 29 april 2010 van het gerechtshof te Arnhem ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2011. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door N.J.J. Massier, werkzaam bij de gemeente Zwolle.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 1 december 2006 bijstand naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Op 21 april 2008 heeft de regiopolitie IJsselland, district Midden, een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen in een door appellant gehuurde woonruimte boven een snackbar. Daarbij zijn 160 planten aangetroffen van ongeveer één week oud. Ten overstaan van de politie heeft appellant op 21 april 2008 verklaard dat hij de woning sinds half februari 2008 huurt en dat hij toen is begonnen met het opknappen van de woonruimte. Nadat hij bemerkte dat de kosten daarvan hoger zouden zijn dan voorzien, heeft hij het plan opgevat om op de zolderverdieping een hennepkwekerij aan te leggen om de kosten te financieren. Hij is enkele weken later begonnen met het opzetten van de hennepkwekerij; de hennepkwekerij was op 21 april 2008 één week in werking. De afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Zwolle heeft daarop een nader onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van

2 juni 2008.

1.3. De onderzoeksbevindingen zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 30 mei 2008 (hierna: besluit 1) de bijstand van appellant over de periode van 1 maart 2008 tot en met 20 april 2008 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.260,28 van appellant terug te vorderen. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant, door geen melding te maken van de werkzaamheden in de hennepkwekerij, de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Als gevolg van die schending en het feit dat appellant verzuimd heeft een urenregistratie en boekhouding bij te houden kan zijn recht op bijstand over de hiervoor genoemde periode niet worden vastgesteld.

1.4. Bij afzonderlijk besluit van 30 mei 2008 (hierna: besluit 2) heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 1 juni 2008 voor de duur van twee maanden met 20% verlaagd op de grond dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

1.5. Bij besluit van 10 februari 2009 heeft het College beslist op de bezwaren van appellant tegen de besluiten 1 en 2. Daarbij is bepaald dat de bijstand van appellant eerst met ingang van 1 juli 2008 wordt verlaagd. Voor het overige zijn de besluiten 1 en 2 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 februari 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1. Zoals de Raad vaker heeft geoordeeld worden zowel het verrichten van activiteiten gericht op het starten van een hennepkwekerij als het exploiteren daarvan aangemerkt als omstandigheden waarvan het de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Daarvan dient hij het betreffende bestuursorgaan onverwijld mededeling te doen, ongeacht of daaruit inkomsten worden verworven.

4.1.2. De Raad stelt vast dat appellant niet betwist dat hij een hennepkwekerij heeft opgezet en dat hij hiervan geen melding heeft gedaan aan het College. In geschil is of appellant reeds op 1 maart 2008 is gestart met de voorbereidingen voor (het opzetten van) de hennepkwekerij. Appellant heeft betoogd dat hij eerst op 1 april 2008 een aanvang heeft gemaakt met de voorbereidingen. Appellant wijst op het arrest van 29 april 2010 van het gerechtshof te Arnhem in de strafzaak jegens hem; het gerechtshof acht bewezen dat hij in de periode van 1 april 2008 tot 22 april 2008 opzettelijk hennep heeft geteeld. Naar de mening van appellant dient aangesloten te worden bij de in het arrest genoemde startdatum.

4.1.3. De Raad stelt vast dat appellant geen concrete verifieerbare gegevens heeft verstrekt over de aanvang van de hennepkwekerij. Appellant heeft geen boekhouding bijgehouden, verder heeft hij geweigerd te verklaren van wie hij de inventaris voor de hennepkwekerij heeft overgenomen en op welke datum. Daarmee heeft appellant voor het vaststellen van het aanvangstijdstip van de hennepkwekerij een bewijsrisico genomen waarvan de gevolgen geheel voor zijn rekening dienen te blijven. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het College niet onzorgvuldig heeft gehandeld door, voor wat betreft de aanvang van de exploitatie van de hennepkwekerij, uit te gaan van 1 maart 2008. Het College heeft uit het geheel van de bevindingen afgeleid dat het niet aannemelijk is te achten dat appellant de hennepkwekerij in een tijdsbestek van twee weken heeft gerealiseerd, zoals hij heeft betoogd. Het College heeft daartoe onder meer aangegeven dat appellant geen kennis had van het opzetten van een hennepkwekerij en zich heeft moeten verdiepen in de materie. Voorts heeft appellant ter verkrijging van gelden en materialen contacten moeten leggen. De Raad onderschrijft dit standpunt. De Raad neemt daarbij voorts in aanmerking dat appellant de zolderruimte ingrijpend heeft moeten verbouwen, de stroomvoorziening op de zolderverdieping heeft moeten aanleggen evenals een irrigatiesysteem. Van de zijde van appellant zijn geen gegevens ingebracht op grond waarvan moet worden aangenomen dat de datum 1 maart 2008 onjuist is. Over het arrest van 29 april 2010 van het gerechtshof te Arnhem merkt de Raad in de eerste plaats op dat het gerechtshof het opzettelijk telen van 160 planten in de periode van 1 april 2008 tot 22 april 2008 bewezen heeft geacht, terwijl het in het onderhavige geding vooral gaat om de voorbereidingshandelingen voor het opzetten van de hennepkwekerij. Bovendien blijkt uit dit arrest dat appellant de woning heeft gehuurd vanaf 1 februari 2008, zoals blijkt uit het in de strafrechtelijke procedure ingebrachte huurcontract. Uitgaande van deze datum komt de aanvangsdatum van 1 maart 2008 in grote lijnen overeen met appellants verklaring dat hij eerst de bovenwoning is gaan opknappen en pas toen hij tot de ontdekking was gekomen dat het opknappen duurder zou worden dan gehoopt, enkele weken later is begonnen met het opzetten van een hennepplantage.

4.2. Ten aanzien van de opgelegde maatregel heeft appellant eveneens aangevoerd dat de werkzaamheden in de hennepkwekerij niet eerder dan op 1 april 2008 zijn gestart. Zoals hiervoor overwogen, kan de Raad dit standpunt niet onderschrijven.

Appellant heeft tegen de maatregel verder geen zelfstandige beroepsgronden naar voren gebracht, zodat deze geen verdere bespreking behoeft.

5. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en J.N.A. Bootsma en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) B. Bekkers.

HD