Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV1991

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-01-2012
Datum publicatie
27-01-2012
Zaaknummer
11-4504 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandeling stelling aanvraag bijstandsuitkering berust op goede grodnen. Appellant heeft geen gehoor gegeven aan de verzoeken om te verschijnen en de gevraagde stukken te overleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4504 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 7 juli 2011, 10/493 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen (hierna: College)

Datum uitspraak: 25 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. V.M.C. Verhaegen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verhaegen. Het College heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 1 december 2009 een aanvraag ingediend om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand met als gewenste ingangsdatum 4 november 2009, de datum van melding.

1.2. Bij brief van 8 december 2009 heeft het College appellant in verband met de verdere behandeling van zijn aanvraag, die niet volledig was, verzocht om op 15 december 2009 om 10.00 uur te verschijnen in het stadhuis van de gemeente Terneuzen bij de afdeling Samenleving, Team Zorg, Werk & Inkomen en bij die gelegenheid enkele ontbrekende stukken in te leveren, waaronder het bankafschrift van zijn privérekening met volgnummer elf. Daarbij is vermeld dat als appellant niet verschijnt of de gevraagde stukken niet of niet volledig verstrekt, dit tot gevolg kan hebben dat zijn aanvraag buiten behandeling gesteld wordt.

1.3. Bij besluit van 15 december 2009 heeft het College de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de in de brief van 8 december 2009 neergelegde verzoeken om op 15 december 2009 te verschijnen en de gevraagde stukken te overleggen.

1.4. Bij besluit van 20 mei 2010 heeft het College, voor zover van belang, het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 15 december 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant, gericht tegen de ongegrondverklaring van zijn bezwaar tegen het besluit van 15 december 2009, ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Inzicht in de financiële situatie van de aanvrager met betrekking tot de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode is als regel noodzakelijk om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. De Raad is dan ook, anders dan appellant, van oordeel dat het College in zijn brief van 8 december 2009 terecht verzocht heeft om het bankafschrift van de privérekening van appellant met volgnummer elf dat betrekking heeft op de periode begin oktober tot begin november 2009.

4.3. Vast staat dat appellant geen gehoor heeft gegeven aan de oproep om op 15 december 2009 om 10.00 uur met de gevraagde gegevens op het stadhuis te verschijnen en dat hij die gegevens ook niet binnen de hersteltermijn heeft overgelegd. Appellant heeft wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt, dat hem dit niet te verwijten valt. Uit de verklaring van de huisarts van appellant van 10 maart 2010 is dit niet af te leiden, nu de huisarts heeft vermeld dat appellant bekend is met psychosociale problematiek en de zaken goed aanpakt. Hieruit volgt dat het College bevoegd was de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten.

4.4. Appellant heeft aangevoerd dat het College geen gebruik had moeten maken van die bevoegdheid, nu hij op 15 december 2009 om 11.00 uur alle gegevens op het stadhuis heeft ingeleverd. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de gevraagde gegevens om 11.00 uur of op een ander moment die dag heeft afgegeven. Uit een aan de advocaat van appellant gericht e-mailbericht van 12 oktober 2010 van de consulent van appellant bij Maatschappelijk Werk Zeeuws-Vlaanderen leidt de Raad af dat appellant op 15 december 2009 tegen de middag een afspraak had met zijn consulent, dat hij eerst toen bemerkte dat er voor die ochtend een afspraak gepland stond op het stadhuis, waarop hij het dossier voor de aanvraag compleet gemaakt heeft en diezelfde middag naar het stadhuis zou gaan om de stukken in te leveren. Het College ontkent de stukken op die dag te hebben ontvangen.

4.5. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank blijkt niet dat gemeenteambtenaar [H.] in gevallen als die van appellant wel een nadere hersteltermijn gegeven zou hebben, doch slechts dat [H.] wellicht nog even geïnformeerd had hoe het zat. Ook anderszins heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het College heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

4.6. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om de aanvraag van appellant buiten behandeling te laten. Het hoger beroep van appellant slaagt niet.

4.7. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2012.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD