Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV1902

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-01-2012
Datum publicatie
26-01-2012
Zaaknummer
10-6710 AKW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering en invordering. In rechte staat vast dat appellante geen recht op kinderbijslag had ten behoeve van haar twee kinderen. De Raad kan en zal zich dan ook in dit geding niet uitlaten over hetgeen hiertoe thans is aangevoerd. De Svb is gehouden tot terugvordering. Dringende redenen om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering zijn slechts gelegen in de onaanvaardbaarheid van de -financiële en/of sociale- gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Hetgeen hieromtrent door appellante is aangevoerd, levert geen dringende reden als hier bedoeld op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6710 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 29 oktober 2010, 09/2732 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).

Datum uitspraak: 19 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J.E.J. Coenraad, advocaat, beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

De Svb heeft een verweerschrift ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2011.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Coenraad. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 15 september 2008 heeft de Svb het recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) van appellante ten behoeve van haar kinderen [A.] en [Y.] met ingang van het vierde kwartaal van 2004 beëindigd omdat uit onderzoek is gebleken dat deze kinderen vanaf 15 augustus 2003 worden vermist en daarom geacht worden vanaf het vierde kwartaal van 2004 niet meer tot haar huishouden te behoren. Aangezien appellante ook niet heeft kunnen aantonen dat zij vanaf dat kwartaal in belangrijke mate heeft bijgedragen in het onderhoud van de twee kinderen voldoet zij niet aan de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag.

1.2. Het tegen het besluit van 15 september 2008 gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 3 december 2008 ongegrond verklaard. In deze beslissing is als aanvullende motivering opgenomen dat appellante de Svb niet op de hoogte heeft gesteld van het feit dat [A.] en [Y.] ontvoerd zijn, waardoor niet tijdig het recht op en de betaling van de kinderbijslag kon worden aangepast. Tegen deze beslissing is geen beroep ingesteld.

1.3. Bij besluit van 12 december 2008 heeft de Svb appellante meegedeeld dat van haar een bedrag van € 6.846,21 wordt teruggevorderd wegens te veel ontvangen kinderbijslag. Appellante wordt verzocht dit bedrag in 35 maandelijkse termijnen van € 190,00 en één slottermijn van € 196,21 te betalen.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 20 april 2009 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 december 2008 ongegrond verklaard betreffende de terugvordering van de ten onrechte betaalde kinderbijslag tot een bedrag van € 6.846,21. Het bezwaar is gegrond verklaard betreffende de wijze van invordering. Vooralsnog wordt het appellante toegestaan in maandelijkse termijnen van € 18,00 de te veel ontvangen kinderbijslag terug te betalen.

2.1. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en onder meer aangevoerd dat de Svb in strijd handelt met het rechtszekerheidsbeginsel en het eigen beleid door de kinderbijslag van haar terug te vorderen. Zij heeft daarbij gewezen op de omstandigheid dat het rechtmatig hoofdverblijf van haar twee kinderen nog altijd bij haar is, ook al zijn zij ontvoerd door de vader. Appellante hoefde dan ook niet te onderkennen dat zij geen recht had op kinderbijslag. Voorts heeft zij de rechtbank gewezen op een uitspraak van de rechtbank Maastricht van 20 januari 2001, waarin volgens haar een soortgelijke situatie als in deze aan de orde was, en waarin geoordeeld is dat de kinderbijslag niet kon worden teruggevorderd.

2.2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat, nu geen beroep is ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 3 december 2008, in rechte vast staat dat appellante met ingang van het vierde kwartaal van 2004 geen recht op kinderbijslag meer heeft ten behoeve van haar twee dochters [A.] en [Y.]. Daaruit volgt dat de aan haar uitbetaalde kinderbijslag over de kwartalen na 2004 onverschuldigd is betaald. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat ingevolge artikel 24 van de AKW hetgeen onverschuldigd is betaald van haar wordt teruggevorderd, tenzij sprake is van dringende redenen. In het aangevoerde heeft de rechtbank geen dringende redenen gezien om af te zien van terugvordering. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat voor het antwoord op de vraag of recht op kinderbijslag bestaat de feitelijke situatie van belang is en appellante de Svb de ontvoering van haar kinderen had moeten melden. Naar het oordeel van de rechtbank laat deze zaak zich niet vergelijken met de bij overweging 2.1 genoemde zaak omdat daar een gewijzigde leefsituatie wel gemeld was en de vraag centraal stond of intrekking van kinderbijslag met volledig terugwerkende kracht, gezien het eigen beleid van verweerder, mogelijk was. In de nu aanhangige zaak betreft het slechts de vraag of de terugvordering in stand kan blijven. De rechtbank wijst er tevens op dat appellante geen melding heeft gemaakt van de gewijzigde leefsituatie. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard.

3.1. In hoger beroep heeft appellante de in eerste aanleg aangevoerde gronden herhaald en voorts benadrukt dat melding van de ontvoering bij de Svb de afmelding van de kinderen zou hebben betekend, hetgeen van haar niet verlangd kon worden. Appellante heeft de ontvangen kinderbijslag onder meer gebruikt voor de financiering van haar pogingen om de kinderen terug te krijgen en zal als gevolg van de terugvordering over onvoldoende middelen beschikken om verder nog actie te kunnen ondernemen. Appellante is bovendien van mening dat de situatie niet door haar toedoen is ontstaan waardoor zij niet gehouden is de kinderbijslag terug te betalen. Ter zitting is betoogd dat de Raad in deze zaak zou moeten oordelen dat het ontvoerd zijn van kinderen een dringende reden kan zijn om af te zien van de terugvordering van reeds betaalde kinderbijslag.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Evenals de rechtbank constateert de Raad dat geen beroep is ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 3 december 2008. Dit betekent dat dit besluit in rechte is komen vast te staan en dat eveneens vast staat dat appellante geen recht op kinderbijslag had ten behoeve van haar twee kinderen [A.] en [Y.] vanaf het vierde kwartaal van 2004 tot en met het tweede kwartaal van 2008. De Raad wijst erop dat, nu appellante geen beroep heeft ingesteld tegen de hiervoor genoemde beslissing op bezwaar, de formele ingang ontbreekt om, zoals appellante wenst, een oordeel te geven over het recht op kinderbijslag ten behoeve van beide. De Raad kan en zal zich dan ook in dit geding niet uitlaten over hetgeen hiertoe thans is aangevoerd.

4.2. De Svb is op grond van artikel 24 van de AKW gehouden tot terugvordering van onverschuldigd betaalde kinderbijslag. Slechts in geval van dringende redenen is de Svb ingevolge het vierde lid van artikel 24 van de AKW bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen kunnen dringende redenen als hier bedoeld slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de -financiële en/of sociale- gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Hetgeen hieromtrent door appellante is aangevoerd, levert geen dringende reden als hier bedoeld op.

4.3. Uit de overwegingen 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) J.R. Baas.

CVG