Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV1883

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-01-2012
Datum publicatie
25-01-2012
Zaaknummer
09-6254 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Geen schending inlichtingenverplichting. De intrekking van de bijstand berust niet op een deugdelijke motivering. Vernietiging aangevallen uitspraak. Vernietiging bestreden besluit voor zover het op de intrekking van de bijstand ziet. De gedingstukken bieden onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode niet op het uitkeringsadres woonachtig was. Herroeping primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6254 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 oktober 2009, 09/2297 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen (hierna: College)

Datum uitspraak: 24 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Beekelaar, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 november 2011. Voor appellant is verschenen mr. Beekelaar. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.R. Bisoen, werkzaam bij de gemeente Amstelveen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontvangt sinds 28 juli 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Appellant heeft bij het College opgegeven dat hij woont op het adres [adres] te Amstelveen (hierna: uitkeringsadres).

1.2. Naar aanleiding van een controle op de bankafschriften van appellant is bij het College twijfel gerezen of appellant op het uitkeringsadres woont. Op 2 februari 2009 heeft het College getracht een huisbezoek op het uitkeringsadres af te leggen om de feitelijke woonsituatie van appellant te beoordelen. Dit huisbezoek heeft geen doorgang kunnen vinden omdat appellant daaraan niet wenste mee te werken.

1.3. Bij besluit van 9 februari 2009 heeft het College de bijstand van appellant met ingang van 5 december 2008 beëindigd (lees: ingetrokken). Daaraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant, door geen medewerking te verlenen aan het huisbezoek, niet heeft voldaan aan de op grond van artikel 17 van de WWB op hem rustende verplichtingen en dat als gevolg daarvan zijn woonsituatie onduidelijk is gebleven en het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

1.4. Op 25 maart 2009 heeft na afloop van de behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening alsnog een huisbezoek plaatsgevonden op het uitkeringsadres. De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in een rapportage van 26 maart 2009.

1.5. Bij besluit van 24 april 2009, voor zover hier van belang, heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 februari 2009 gegrond verklaard en bepaald dat de bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB wordt ingetrokken met ingang van 2 februari 2009. Tevens heeft het College aan appellant een vergoeding toegekend voor de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 april 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat voor het huisbezoek van 2 februari 2009 een redelijke grond ontbrak. Verder heeft appellant betwist dat hij de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hij heeft alle benodigde informatie verstrekt. Daarnaast kan de tijdens het huisbezoek van 25 maart 2009 door appellant afgelegde verklaring dat hij de afgelopen maand ongeveer twaalf dagen thuis op het uitkeringsadres heeft geslapen niet tot de conclusie leiden dat hij niet op dat adres woont.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Het College heeft de bijstand van appellant met ingang van 2 februari 2009 ingetrokken en zodoende de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. De Raad stelt vast dat het College bij het besluit van 24 april 2009 het recht op bijstand over de periode van 2 februari 2009 tot en met 24 april 2009 heeft beoordeeld. Gemachtigde van het College heeft dat ter zitting desgevraagd bevestigd. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 2 februari 2009 tot en met 24 april 2009.

4.2. De Raad stelt verder vast dat het College in het besluit van 24 april 2009 niet aan de intrekking van de bijstand ten grondslag heeft gelegd dat appellant geen medewerking heeft verleend aan het huisbezoek op 2 februari 2009. Gemachtigde van het College heeft dat ter zitting desgevraagd bevestigd. Dat betekent dat de beroepsgrond van appellant dat een redelijke grond voor dat huisbezoek ontbrak geen bespreking behoeft.

4.3. Het College heeft aan de intrekking van de bijstand ten grondslag gelegd dat, gelet op de bevindingen van het huisbezoek van 25 maart 2009 en de bij die gelegenheid afgelegde verklaringen van appellant, de woonsituatie van appellant en daarmee zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Gemachtigde van het College heeft ter zitting verklaard dat het College beoogd heeft aan het besluit ten grondslag te leggen dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden ten aanzien van zijn woonsituatie en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Volgens het College bestaat de schending van de inlichtingenverplichting hieruit dat appellant geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat tijdens het huisbezoek op 25 maart 2009 de oplader van zijn mobiele telefoon niet in de woning werd aangetroffen en dat zijn persoonlijke spullen, zoals medicijnen en administratie, zich in plastic zakken in de woning bevonden. Verder heeft appellant niet aangegeven waarom hij een internetaansluiting op een ander adres dan het uitkeringsadres had afgesloten.

4.4. Naar het oordeel van de Raad blijkt uit de gedingstukken niet dat appellant, zoals het College stelt, tijdens het huisbezoek van 25 maart 2009 geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat zijn persoonlijke spullen zich in plastic zakken bevonden. Uit de rapportage van 26 maart 2009 blijkt slechts dat is geconstateerd dat die spullen in plastic zakken zaten, maar niet dat appellant is gevraagd daarvoor een verklaring te geven. Nu niet naar een verklaring is gevraagd en het niet op de weg van appellant lag om onverwijld uit eigen beweging een verklaring te geven is van het schenden van de inlichtingenverplichting geen sprake. Het niet beantwoorden van de vraag waarom appellant een internetaansluiting op een ander adres dan het uitkeringsadres had, levert naar het oordeel van de Raad evenmin schending van de inlichtingenverplichting op. De inlichtingenverplichting ziet immers op feiten en omstandigheden waarvan het de betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn recht op bijstand, maar bijvoorbeeld niet op de motieven van de betrokkene die feiten en omstandigheden niet te melden. Appellant heeft wel de inlichtingenverplichting geschonden door tijdens het huisbezoek op de vraag waar zich de oplader van zijn mobiele telefoon bevond te antwoorden dat de betreffende telefoon niet van hem was. In aanmerking genomen dat appellant eerder bij het College had gemeld dat hij op het nummer van de betreffende mobiele telefoon bereikbaar was, is aannemelijk dat de telefoon wel van appellant is. Het enkele feit dat appellant op dit punt zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden brengt echter niet mee dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.5. Uit hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen vloeit voort dat de intrekking van de bijstand niet op een deugdelijke motivering berust. De rechtbank heeft dat niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 24 april 2009 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen voor zover het op de intrekking van de bijstand ziet. De Raad zal bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit in stand te laten op de grond dat appellant, anders dan hij bij het College heeft gemeld, niet woont op het door hem opgegeven adres en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.6. Naar het oordeel van de Raad bieden de gedingstukken onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat appellant gedurende de hier te beoordelen periode niet op het uitkeringsadres woonachtig was. Uit de rapportage van 26 maart 2009 blijkt dat de woning op het uitkeringsadres een woonwagen met een woonkamer met open keuken en een slaapkamer betreft. De woning was volledig ingericht. In de woonwagen werden administratie, broeken, truien, overhemden, ondergoed, sokken en schoeisel, medicijnen en persoonlijke verzorgingsartikelen van appellant aangetroffen. Appellant heeft tijdens het huisbezoek verklaard dat hij samen met zijn moeder woont, dat hij op de bank slaapt of in het bed van zijn moeder als zij weg is, dat hij de afgelopen maand ongeveer twaalf maal thuis heeft geslapen en dat hij de overige nachten heeft geslapen bij zijn zoon of bij zijn dochter in Uithoorn. Appellant heeft voorts verklaard geen foto’s of hobbyspullen te hebben en dat zijn hobby darten is en dat de dartpijlen bij zijn zoon liggen. De Raad is van oordeel dat de verklaring van appellant twijfels oproept of hij gedurende de hier te beoordelen periode op het uitkeringsadres woonachtig was. Nu het gaat om een belastend besluit had het echter op de weg van het College gelegen om die twijfels weg te nemen door een nader onderzoek naar de woonsituatie van appellant in te stellen. Dat nadere onderzoek heeft het College echter niet verricht. Dat betekent dat voor het in stand laten van de rechtsgevolgen op de onder 4.5 genoemde grond geen aanleiding bestaat.

4.7. De Raad ziet voorts aanleiding het (primaire) besluit van 9 februari 2009 te herroepen. Het College heeft immers dat besluit en de grond waarop het berust niet gehandhaafd. De Raad acht, mede gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk dat het door het College reeds geconstateerde gebrek nog kan worden hersteld.

5. De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 24 april 2009, voor zover dat op de intrekking ziet;

Herroept het besluit van 9 februari 2009;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.518,--;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 151,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2012.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD