Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV1780

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2012
Datum publicatie
25-01-2012
Zaaknummer
11-6020 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Op grond van de verklaring van appellant en de overige verkregen onderzoeksbevindingen mocht het college redelijkerwijs twijfelen aan de juistheid van de opgave van appellant dat hij een alleenstaande was en geen gezamenlijke huishouding voerde. Er was dus een redelijke grond voor het huisbezoek aanwezig. Appellant was daarom verplicht medewerking te verlenen aan het door het college verzochte huisbezoek. Appellant heeft niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdens het gesprek in een zodanige geestelijke en lichamelijke toestand is geraakt dat medewerking aan een huisbezoek niet van hem kon worden gevergd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6020 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

P R O C E S – V E R B A A L

van mondelinge uitspraak

op het hoger beroep van

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2011, 11/2536 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ouder-Amstel (college)

Datum uitspraak: 10 januari 2012

Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte als voorzitter van de enkelvoudige kamer Griffier: R. Scheffer

Ter zitting zijn verschenen:

Appellant, bijgestaan door mr. M. Sloot, kantoorgenoot van zijn advocaat, mr. D. van der Wal;

het college, vertegenwoordigd door A. Uzen en A. Jhakrie.

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Appellant heeft ter zitting erkend dat het verslag van de verklaring die hij op 25 november 2010 tegenover zijn bijstandsconsulent en een handhavingmedewerker heeft afgelegd, een juiste weergave is van het gesprek op die datum. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op grond van deze verklaring en de overige verkregen onderzoeksbevindingen, waaronder het verslag van het huisbezoek in 2008, het college redelijkerwijs kon twijfelen aan de juistheid van de opgave van appellant dat hij een alleenstaande was en geen gezamenlijke huishouding voerde. Er was dus een redelijke grond voor het huisbezoek aanwezig. Appellant was daarom verplicht medewerking te verlenen aan het door het college verzochte huisbezoek. Appellant heeft dit geweigerd, nadat hem was meegedeeld dat deze weigering gevolgen voor zijn bijstandsuitkering kon hebben.

Alleen een zwaarwegende reden die aan onmiddellijke uitvoering van een - onaangekondigd - huisbezoek in de weg staat, kan een rechtvaardigingsgrond zijn voor het niet verlenen van de verlangde medewerking. Het is aan appellant om aannemelijk te maken dat een dergelijke zwaarwegende reden bestond.

Appellant betoogt dat hij zich een noodsituatie bevond. Hij kreeg tijdens het gesprek een paniekaanval en had last van hyperventilatie. Hij had tijdens een later gesprek wel toestemming willen geven voor een huisbezoek. De ambtenaren hadden dat moeten onderkennen.

Het college heeft het bestaan van een zwaarwegende reden om niet mee te werken aan het huisbezoek bestreden. De bijstandsconsulent heeft ter zitting verklaard dat zij bij een paniekaanval of hyperventilatie, indien onderkend of gemeld, de bedrijfshulpverlening zou hebben ingeschakeld.

Vaststaat dat appellant tijdens het gesprek verklaard heeft zich niet goed te voelen en het gesprek niet veel langer te kunnen volhouden. Als reden van de weigering van het huisbezoek heeft hij echter opgegeven een andere afspraak te hebben. Hij moest naar zijn broer. Hij had frisse lucht nodig. Daarop heeft hij de spreekkamer en het raadhuis verlaten. Appellant was eerder van 3 februari 2010 tot 3 mei 2010 in klinische behandeling geweest bij het Centrum Onverklaarde Lichamelijk Klachten. De behandelend psychiater heeft na observatie de conclusie getrokken dat bij appellant spanningsgerelateerde klachten bestaan als chronische angst- en paniekklachten met agorafobie. Mogelijk is er ook sprake van een geagiteerde depressie bij appellant, een externaliserende en somatiserende man met narcistische trekken in de persoonlijkheid. De angstklachten komen tot uiting door somatische equivalenten zoals hartkloppingen, tintelingen, benauwdheid met een gevoel om flauw te vallen, hyperventilatie en daardoor desoriëntatie. Er is echter geen sprake van duidelijke paniekaanvallen.

De Raad is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdens het gesprek in een zodanige geestelijke en lichamelijke toestand is geraakt dat medewerking aan een huisbezoek niet van hem kon worden gevergd. Uit de verklaringen van appellant tijdens dit gesprek en het waargenomen gedrag, zoals neergelegd in het verslag en bevestigd ter zitting, kan dit niet worden afgeleid. De enkele verklaring van appellant achteraf is, ook in het licht van de genoemde conclusie van de psychiater, daartoe onvoldoende.

Het college was daarom bevoegd de bijstand met ingang van 25 november 2010 in te trekken op de grond dat door de schending van de medewerkingsverplichting het recht op bijstand met ingang van die dag niet is vast te stellen. Op grond van hetgeen appellant heeft aangevoerd hoefde het college van uitoefening van deze bevoegdheid niet af te zien.

Waarvan proces-verbaal

de griffier de voorzitter

getekend getekend

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep