Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV1656

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-01-2012
Datum publicatie
24-01-2012
Zaaknummer
10-4494 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen verdere ZW-uitkering. Het medisch onderzoek is voldoende zorgvuldig. De problemen van appellant zijn ten opzichte van de WAO-beoordeling niet in relevante mate toegenomen, althans niet in die mate dat appellante niet een van de twee door het Uwv genoemde en destijds geduide functies zou kunnen uitoefenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4494 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 20 juli 2010, 09/949 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.E. Crone, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 2 november 2011 heeft voormelde gemachtigde nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2011. Appellante was aanwezig, bijgestaan door bovenvermelde gemachtigde. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door drs. A. ten Brinke.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante, werkzaam als medewerkster financiële administratie, heeft zich op 13 oktober 1999 ziek gemeld met klachten van psychische aard alsmede met rug- en nekklachten. Aan het einde van de wettelijke wachttijd is haar bij besluit van 26 oktober 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar, beroep en hoger beroep heeft er (uiteindelijk) toe geleid dat de Raad bij uitspraak van 11 augustus 2006 LJN AY6391 heeft geoordeeld dat het toekenningsbesluit met het daarin opgenomen percentage in rechte stand kan houden (waarmee de Raad tevens de geschiktheid van de aan dit besluit ten grondslag liggende functies heeft onderschreven). Naast de uitkering ingevolge de WAO ontving appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Tijdens het ontvangen van een uitkering ingevolge deze wet, heeft zij zich per 21 april 2008 ziek gemeld in verband met toegenomen klachten, waarna haar een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) is verstrekt. Appellante is, blijkens de rapporten van 30 maart en 3 april 2009, gezien door de verzekeringsarts van het Uwv, die beschikte over informatie van de behandelend orthopedisch chirurg van appellante. Deze arts heeft geconstateerd dat het op dat moment vooral ging om chronische pijnklachten en dat de medische situatie van appellante niet wezenlijk verschilde van die ten tijde van de beoordeling in het kader van de WAO. Bij besluit van 3 april 2009 heeft het Uwv haar per 6 april 2009 geschikt geacht voor in elk geval één van de bij de WAO-beoordeling geduide functies, zodat geen verdere uitkering ingevolge de ZW werd verstrekt. Namens appellante is bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Daarbij is aangegeven dat sprake is van toegenomen klachten: zij kan niet lang achtereen lopen en staan of het hoofd in een bepaalde stand houden. Tevens heeft zij last van doofheid aan het rechter oor. De bezwaarverzekeringsarts J.R. Jansen heeft appellante onderzocht en de beschikbare informatie van de behandelend reumatologen meegewogen in zijn oordeel. Hij heeft na onderzoek vastgesteld, dat op het lichamelijk noch psychisch vlak sprake is van ernstige afwijkingen en heeft het oordeel van de primaire verzekeringsarts onderschreven. Het Uwv heeft bij besluit van 11 mei 2009 (hierna: het bestreden besluit) het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.

2. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Appellante heeft daarbij herhaald dat zij meer beperkingen heeft dan door het Uwv is aangenomen en gewezen op de door haar overgelegde rapporten van onder andere haar orthopedisch chirurg, J.H.M. de Brouwer en W. Lechner, medisch adviseurs, verbonden aan Lechnerconsult alsmede informatie van haar KNO-arts en van audiologen.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank voorop gesteld, dat in de situatie dat iemand, na het volbrengen van de wettelijke wachttijd (voor de WAO) blijvend ongeschikt is gebleven voor de laatst uitgeoefende functie en daarna niet in enige arbeid heeft hervat, als maatstaf voor het al dan niet bestaan van arbeidsgeschiktheid moet gelden de geschiktheid voor een van de bij de WAO beoordeling betrokken functies. In dit geval heeft het Uwv in dit kader gewezen op de functies van medewerker kaartverkoop en verkoper wit- en bruingoed. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante medische problemen heeft met name ten aanzien van de wervelkolom, maar dat het gaat om de vraag of deze en andere gezondheidsklachten in relevante mate zijn toegenomen. Het medisch onderzoek is volgens de rechtbank zorgvuldig te achten en tevens kan ingestemd worden met de door de bewaarverzekeringsarts in het rapport van 6 april 2009 gegeven uitleg met betrekking tot diens stelling dat de door de behandelend reumatologen genoemde kanaalstenose geen relevante toename van beperkingen meebrengt, althans gerelateerd aan de door het Uwv genoemde functies. Voor wat de gehoorklachten betreft heeft de rechtbank gewezen op het hiervoor weergegeven oordeel van de Raad in de uitspraak van 11 augustus 2006.

4. Appellante heeft in hoger beroep het eerder gestelde herhaald en gewezen op een nader rapport van Lechnerconsult van 1 november 2011 en het gegeven dat haar op 12 juli 2011 een indicatie is verstrekt voor een gehandicaptenparkeerkaart.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. De Raad kan hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist geheel onderschrijven en voegt daar nog het volgende aan toe. Ook de Raad acht het onderzoek voldoende zorgvuldig en acht de door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 6 april 2009 gegeven uitleg voldoende deugdelijk. Uit de beschikbare gegevens valt af te leiden dat er bij appellante serieuze problemen bestaan met betrekking tot, onder andere, de rug en nek en dat er sprake is van klachten in verband met doofheid aan het rechter oor. Er blijkt echter niet dat deze problemen ten opzichte van de WAO-beoordeling in relevante mate zijn toegenomen, althans niet in die mate dat appellante niet een van de twee door het Uwv genoemde en destijds geduide functies zou kunnen uitoefenen. De belasting van deze functies valt binnen de destijds en ook nu wederom door de verzekeringsartsen onderschreven beperkingen betreffende zware nekbelasting, geen langdurig achtereen lopen en staan en de noodzaak tot afwisselen van houding. Met betrekking tot de opmerkingen van Lechnerconsult in hoger beroep merkt de Raad nog op dat uit de functiebeschrijvingen van de twee bedoelde functies blijkt, dat van (zware) nekbelasting geen sprake is en dat lang achtereen zitten of staan evenmin aan de orde is, terwijl er mogelijkheid tot vertreden bestaat. De mogelijkheid tot het uitoefenen van deze functies in relatie tot de gehoorklachten van appellante is uitgebreid aan de orde geweest in de onder 1 genoemde uitspraak van de Raad, terwijl van toegenomen beperkingen op dit punt niet is gebleken. De gegeven indicatie voor een gehandicaptenparkeerkaart kan geen doorslaggevende rol spelen nu het daarbij gaat om een geheel andere beoordeling dan die welke hier aan de orde is. De Raad wijst er tot slot nog op dat slechts de geschiktheid voor één van de twee genoemde functies ter beoordeling staat en wel ingaande de datum in geding te weten 6 april 2009.

5.3. Uit hetgeen onder 5.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Nu het hoger beroep niet slaagt, is er geen aanleiding tot het vergoeden van schade als door appellante verzocht.

7. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2012.

(get.) J. Riphagen.

(get.) G.J. van Gendt.

TM