Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0951

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-01-2012
Datum publicatie
16-01-2012
Zaaknummer
09/6009 WWB + 09/6011 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb) is voor de bestaanskosten van minderjarige vreemdelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, aan te merken als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening. Het College heeft de aanvraag terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6009 WWB

09/6011 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 22 september 2009, 08/2841 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Zuidwest-Fryslân

Datum uitspraak: 10 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeentelijke herindeling oefent het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest Fryslân (hierna: College) met ingang van 1 januari 2011 de bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen werden uitgeoefend door het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Zuidwest-Fryslân. In deze uitspraak wordt onder College tevens verstaan het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Zuidwest-Fryslân.

Namens appellanten heeft mr. J.W.F. Noot, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2011. Appellanten en hun gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Hulzinga, werkzaam bij de gemeente Súdwest Fryslân.

De Raad heeft het onderzoek heropend teneinde nadere informatie te verkrijgen van appellanten. Bij brief van 8 september 2011 heeft de gemachtigde van appellanten een reactie gegeven op de gestelde vragen.

Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten hebben de Armeense nationaliteit, evenals hun twee minderjarige kinderen [A.] (geboren in 1996) en [B.] (geboren in 1997). Bij brief van 7 februari 2008 hebben appellanten bij het College een aanvraag om bijstand ingediend ten behoeve van [A.] en [B.] met ingang van 1 december 2007, althans met ingang van de eerste dag waarop de bijstand kan worden verleend.

1.2. Bij besluit van 18 juni 2008 heeft het College de aanvraag afgewezen.

1.3. Bij besluit van 11 november 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 18 juni 2008 ongegrond verklaard. Daaraan is, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb) moet worden gezien als een voorliggende voorziening op de WWB, zodat volgens het College voor verlening van bijstand geen plaats is.

1.4. Bij meerdere besluiten van 25 november 2008 en 18 december 2008 heeft het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) aan [A.] en [B.] een financiële toelage verstrekt ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, en artikel 6, tweede lid, aanhef en onder i, van de Rvb over aaneensluitende tijdvakken in de periode van 8 november 2007 tot en met 31 oktober 2008.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 11 november 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

4.2. In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Rvb is bepaald, voor zover hier van belang, dat het COA is belast met het voorzien in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden voor minderjarige vreemdelingen die samen met tenminste één ouder of verzorger in Nederland verblijven en die rechtmatig verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, g, of h, van de Vreemdelingenwet 2000. Artikel 3, tweede lid, van de Rvb bepaalt dat het voorzien in de noodzakelijke bestaansvoorwaarden voor vreemdelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, inhoudt het verstrekken van een financiële toelage. Ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder i, van de Rvb bedraagt de financiële toelage voor de vreemdeling, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, het bedrag bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, verminderd met het in aanmerking te nemen inkomen.

4.3. Zoals de Raad in de uitspraak van 20 juli 2010, LJN BN3318, heeft overwogen, is de Rvb voor de bestaanskosten van minderjarige vreemdelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, aan te merken als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening. Voorts staat, gelet op de onder 1.4 genoemde besluiten van het COA, vast dat zowel aan [A.] als aan [B.] over de periode hier van belang, de periode van 1 december 2007 tot en met de datum van het primaire besluit (18 juni 2008), op grond van de Rvb een financiële toelage is verleend ter hoogte van de bijstandsnorm voor een alleenstaande jongere van 18, 19 of 20 jaar. De Raad is dan ook met het College en de rechtbank van oordeel dat artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB aan het verlenen van bijstand in de weg staat. Het College heeft de aanvraag van appellanten om bijstand ten behoeve van [A.] en [B.] terecht afgewezen.

4.4. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en E.J.Govaers als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2012.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) I. Mos.

De griffier is buiten staat te ondertekenen.

NK