Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0856

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-01-2012
Datum publicatie
16-01-2012
Zaaknummer
11-2948 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Geschikt voor het eigen werk. De rechtbank heeft terecht gewezen op de in vaste rechtspraak besloten liggende lijn dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te worden gevolgd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven van het oordeel af te wijken. Van dergelijke feiten of omstandigheden is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2948 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 7 april 2011, 08/2362 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Heijnen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een bezwaarverzekeringsarts overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Heijnen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M.C. Beijen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Bij besluit van 21 februari 2008 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 1 oktober 2001 ingetrokken omdat hij per die datum geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk.

2.2. Bij besluit van 30 juni 2008 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, zijn besluit van 21 februari 2008 gehandhaafd.

3.1. In de beroepsfase heeft de rechtbank aanleiding gezien zich te laten voorlichten door een deskundige, waarvoor psychiater G.F. Koerselman is benaderd. Op basis van een eigen onderzoek en bestudering van de voorhanden zijnde medische gegevens heeft Koerselman de in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgenomen beperkingen onderschreven. Zijn bevindingen en conclusies zijn neergelegd in het rapport van 11 mei 2010. De nadien aan Koerselman voorgelegde brief van de appellant behandelend zenuwarts heeft hem niet tot een andersluidende conclusie gebracht.

3.2. De rechtbank heeft overwogen dat zij, gelet op de uitgebreide motivering van Koerselman en het ontbreken van een (medisch onderbouwde) weerlegging van de zijde van appellant, aanleiding ziet om Koerselman te volgen. Het tegen het besluit van 30 juni 2008 ingestelde beroep is derhalve ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft appellant zich, met verwijzing naar medische gegevens uit de behandelend sector, tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. De rechtbank heeft terecht gewezen op de in vaste rechtspraak besloten liggende lijn dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te worden gevolgd, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven van het oordeel af te wijken. Van dergelijke feiten of omstandigheden is de Raad, evenals de rechtbank, niet gebleken.

5.2. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat psychiater Koerselman op uitgebreide en inzichtelijke wijze heeft gemotiveerd hoe hij tot de conclusie is gekomen dat de door het Uwv opgestelde FML juist is. De Raad heeft hier niets aan toe te voegen.

5.3. Gelet op het vooroverwogene slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. van Eijndthoven.

TM