Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0851

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-01-2012
Datum publicatie
16-01-2012
Zaaknummer
11-2221 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetting studiefinanciering. De Minister heeft terecht besloten om appellante studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende te onthouden. Het GBA-adres van appellante week ten tijde van belang af van het woonadres dat appellante heeft opgegeven aan de Minister. Appellante heeft verzuimd deze afwijking ongedaan te maken. De stelling van appellante dat zij de waarschuwingsbrieven niet heeft ontvangen slaagt niet. De omstandigheid dat de Minister beschikt over adresgegevens uit de GBA ontslaat de studerende voorts niet van de verplichting om uit eigen beweging en tijdig wijzigingen van woonadres aan de Minister door te geven. Terecht is niet aangenomen dat appellante redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt van de gebleken afwijking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2221 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 maart 2011, 10/523 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister)

Datum uitspraak: 13 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. A.H.J. de Kort, advocaat te Sint Michielsgestel, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2011. Appellante is – zoals zij had bericht – niet verschenen. De Minister was vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber.

II. OVERWEGINGEN

1.1. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de Informatie Beheer Groep.

1.2. Appellante ontving een uitwonendenbeurs.

1.3. Bij schrijven van 12 oktober 2009 heeft de Minister aan appellante bekendgemaakt dat bij controle is gebleken dat het woonadres dat appellante aan hem doorgegeven heeft ([adres 1] te [gemeente 1]) in de maand september 2009 afwijkt van het adres waarop zij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven staat, te weten [adres 2] te [gemeente 1]. Aangegeven is daarbij dat indien appellante haar (nieuwe) woonadres nog niet heeft doorgegeven aan de gemeente, dit binnen vier weken alsnog moet gebeuren. Verder is aangegeven dat, indien het woonadres dat aan Minister is doorgegeven niet (meer) juist is, appellante dat ook alsnog binnen vier weken door moet geven. Appellante is gewaarschuwd dat indien zij de afwijking van het aan de Minister opgegeven woonadres van het adres waarop zij in de GBA ingeschreven staat niet binnen vier weken ongedaan maakt, de Minister de aan appellante toegekende beurs naar de norm voor een uitwonende studerende met ingang van september 2009 omzet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende.

1.4. Vervolgens heeft de Minister bij besluiten van 12 december 2009 de met ingang van september 2009 aan appellante toegekende studiefinanciering omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende. Overwogen is daartoe dat het woonadres dat appellante aan de Minister heeft opgegeven, afwijkt van het adres waarop appellante in de GBA ingeschreven staat en dat appellante heeft verzuimd deze afwijking ongedaan te maken.

1.5. Het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 januari 2010 (hierna: bestreden besluit) door de Minister onder verwijzing naar artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich niet met deze uitspraak kunnen verenigen en heeft aangegeven dat zij dacht dat de gemeente de adreswijziging aan de Minister zou doorgeven. Zij stelt de waarschuwingsbrieven van 12 oktober 2009 niet te hebben ontvangen. Toen zij merkte dat zij minder studiefinanciering kreeg heeft zij onmiddellijk actie ondernomen. De adresafwijking kan haar dus niet verweten worden.

4. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Uitwonende studerenden kunnen in aanmerking komen voor een hoger bedrag aan studiefinanciering dan thuiswonende studerenden. Ingevolge de begripsbepalingen van artikel 1.1 van de WSF 2000 wordt onder een thuiswonende studerende verstaan een “studerende die woont op het adres van zijn ouders of van een van hen” en onder uitwonende studerende een “studerende die niet een thuiswonende studerende is”.

De Raad stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante vanaf 1 september 2009 een uitwonende studerende was in vorenbedoelde zin.

5.2. Artikel 1.5 van de WSF 2000 luidt als volgt:

“1. Indien bij controle door de Minister blijkt dat het door de studerende verstrekte adres afwijkt van het adres waarop de studerende in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, maakt de Minister dit aan hem bekend en stelt hem in de gelegenheid de afwijking te herstellen.

2. Indien een uitwonende studerende de afwijking niet binnen 4 weken na de bekendmaking herstelt, wordt met ingang van de maand waarin de afwijking is ontstaan, de aan hem toegekende beurs omgezet in een beurs voor een thuiswonende studerende, tenzij hem van de afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

3. Indien een uitwonende studerende de afwijking na de termijn van 4 weken alsnog herstelt, wordt met ingang van de maand daaropvolgend de beurs voor een thuiswonende studerende omgezet in een beurs voor een uitwonende studerende.”

5.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de Minister bij het bestreden besluit terecht de beslissing gehandhaafd om appellante op basis van artikel 1.5 van de WSF 2000 vanaf 1 september 2009 studiefinanciering naar de norm voor een uitwonende studerende te onthouden.

5.4. Daartoe stelt de Raad allereerst vast dat is gebleken dat het GBA-adres van appellante ten tijde van belang afweek van het woonadres dat appellante heeft opgegeven aan de Minister en dat de Minister appellante bij brief van 12 oktober 2009 in duidelijke bewoordingen heeft gewaarschuwd dat de aan haar toegekende studiefinanciering wordt omgezet in studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende, indien zij de gebleken afwijking niet binnen vier weken alsnog ongedaan maakt. De stelling van appellante dat zij de waarschuwingsbrieven niet heeft ontvangen slaagt niet. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij al het redelijke heeft gedaan om het mogelijk te maken dat de post van de Minister haar zou bereiken. Zij heeft onvoldoende zorg gedragen voor tijdige doorzending vanaf haar oude woonadres. De te late ontvangst van de haar op het oude woonadres toegezonden brief komt dus voor haar rekening en risico. Aan haar stelling dat de brief die is gezonden naar het GBA-adres haar niet heeft bereikt, komt dan ook niet de betekenis toe die zij daaraan gehecht wil zien. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 23 april 2010 (LJN BM2516) en 7 januari 2011 (LJN BP0327). De omstandigheid dat de Minister beschikt over adresgegevens uit de GBA ontslaat de studerende voorts niet van de verplichting om uit eigen beweging en tijdig wijzigingen van woonadres aan de Minister door te geven.

5.5. Verder is de Raad van oordeel dat terecht niet is aangenomen dat appellante redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt van de gebleken afwijking. Dat zij de adresafwijking meteen nadat zij merkte dat zij minder studiefinanciering ontving ongedaan heeft gemaakt is daarvoor niet redengevend.

6.1. In hetgeen hiervoor is overwogen, ligt besloten dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.2. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2012.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) J.R. Baas.

IvR