Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0830

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2012
Datum publicatie
16-01-2012
Zaaknummer
10-4045 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsongeschiktheid ongewijzigd vastgesteld naar een mate van 65 tot 80%. Het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts is voldoende uitvoerig en ook anderszins voldoende zorgvuldig te achten. De stelling van appellant dat zijn beperkingen niet juist zijn gewaardeerd en dat in het bijzonder een verdergaande urenbeperking en een verdergaande beperking voor hand- en vingergebruik hadden moeten worden aangenomen, mist een genoegzame objectief-medische onderbouwing. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de belasting van de bij de schatting in aanmerking genomen functies de voor appellant toegestane belastbaarheid overschrijdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4045 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 9 juni 2010, 09/631 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.C.M. Peper, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Peper. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.W.A. Blind.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Bij besluit 7 november 2008 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidverzekering zelfstandigen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, met ingang van 8 januari 2009 ingetrokken, daar hij weer in staat werd geacht tot het verrichten van de maatgevende werkzaamheden als zelfstandig ondernemer in de automatisering.

1.3. Bij besluit van 15 mei 2009 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 7 november 2008 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en appellant op en na 8 januari 2009 ongewijzigd 65 tot 80% arbeidsongeschikt geacht. Hieraan ten grondslag lag dat appellant als gevolg van een aanscherping van de voor hem opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) niet langer geschikt werd geacht voor de maatgevende functie. Een schatting aan de hand van theoretische functies wees uit dat de arbeidsongeschiktheid onverminderd 65 tot 80% bedroeg.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig geacht. De rechtbank heeft vastgesteld dat de FML, zoals deze in bezwaar is aangescherpt en in beroep, uit preventieve overwegingen, op één onderdeel nog verder is aangescherpt, een groot aantal beperkingen bevat. De rechtbank heeft geen reden gezien om aan te nemen dat daarmee niet voldoende recht is gedaan aan de objectief medisch bij appellant vast te stellen ziekten of gebreken.

2.2. De rechtbank heeft zich ook kunnen verenigen met de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.

2.3. Omdat de FML nog in de beroepsfase was aangepast, heeft de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand gelaten.

3. In hoger beroep, dat geacht moet worden alleen te zijn gericht tegen het in stand laten door de rechtbank van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit, heeft appellant staande gehouden dat zijn arbeidsongeschiktheid is onderschat. Hij blijft in het bijzonder van mening dat het geheel van zijn lichamelijke en psychische klachten en aandoeningen een verdere urenbeperking aangewezen doet zijn dan de beperking tot 40 uur per week, zoals in de FML is vastgelegd. Ook handhaaft appellant zijn opvatting dat een beperking had moeten worden aangenomen voor hand- en vingergebruik. Appellant acht zich, gelet op de ernst van zijn beperkingen, niet in staat tot het vervullen van de bij de schatting betrokken functies.

4.1. De Raad is van oordeel dat het hoger beroep van appellant geen doel treft. Het onderzoek van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts is, naar ook door de rechtbank is geoordeeld, voldoende uitvoerig en ook anderszins voldoende zorgvuldig te achten. De stelling van appellant dat zijn beperkingen niet juist zijn gewaardeerd en dat in het bijzonder een verdergaande urenbeperking en een verdergaande beperking voor hand- en vingergebruik hadden moeten worden aangenomen, mist een genoegzame objectief-medische onderbouwing. Appellant heeft ook in hoger beroep geen op de datum in geding betrekking hebbende medische rapporten of verklaringen ingebracht waaruit naar voren komt dat bij hem, wat betreft urenomvang, hand- en vingergebruik dan wel op andere belastbaarheidsaspecten, meer beperkingen hebben te gelden dan de beperkingen die reeds in aanmerking zijn genomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft alle relevante medische informatie, met name van huisarts en behandelend specialisten van appellant, in de oordeelsvorming betrokken en overtuigend gemotiveerd waarom ook aan die informatie geen steun kan worden ontleend voor de eigen opvatting van appellant.

Er bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de belasting van de bij de schatting in aanmerking genomen functies de voor appellant toegestane belastbaarheid overschrijdt.

4.2. Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) H.L. Schoor.

TM