Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0750

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-01-2012
Datum publicatie
13-01-2012
Zaaknummer
11-127 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toekenning van een vergoeding voor extra vakantie, begeleiding bij vakantie en een therapeutische reis naar Indonesië voor twee personen. Geen medische noodzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/127 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (Frankrijk), (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank, (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 12 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de plaats getreden van de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de -voormalige- Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 oktober 2010, kenmerk BZ01221048 (verder: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2011, waar appellant niet is verschenen, zoals tevoren was gemeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant, geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, is in 2000 op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en aan hem is een toeslag op grond van artikel 19 van die wet toegekend.

1.2. In februari 2010 heeft appellant verzocht om toekenning van een vergoeding voor extra vakantie, begeleiding bij vakantie en een therapeutische reis naar Indonesië voor twee personen. Hierop is door verweerder bij besluit van 21 juni 2010 afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.

2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.

2.1.1. De weigering van verweerder om een extra vakantie te vergoeden berust op het standpunt dat er op grond van de psychische en fysieke klachten van appellant daarvoor geen medisch noodzaak is. Die noodzaak wordt aanwezig geacht als er sprake is van een acuut dreigende psychische decompensatie dan wel een periode van herstel na een recente ziekenhuisopname. Hiervan is ook naar het oordeel van de Raad bij appellant geen sprake. Er is ook geen medische indicatie voor een extra vakantie. Gezien de redenen waarom appellant om een extra vakantie verzoekt (bezoek van zijn kinderen in Engeland en Nederland en vissen aan de kust) is overigens eerder sprake van een reguliere vakantie, waarvan de (algemeen gebruikelijke) kosten niet kunnen worden vergoed op grond van de Wubo.

2.1.2. Op grond van de gedingstukken is verder evenmin gebleken dat er een medische noodzaak bestaat voor begeleiding van appellant door zijn echtgenote bij een reguliere vakantie op grond van zijn psychische klachten. Overigens heeft de Raad reeds eerder aanvaardbaar geacht het standpunt van verweerder dat de kosten van begeleiding door de echtgenoot bij vakantie niet als extra, met de in aanmerking te nemen ziekte of gebreken verband houdende kosten kunnen worden aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad geldt dit uitgangspunt, ongeacht of sprake is van een reguliere dan wel een in verband met causale ziekte of gebreken wenselijke extra vakantie (CRvB 2 november 2006, LJN AZ2468).

2.2.1. Appellant heeft verder verzocht om vergoeding van een therapeutische reis naar Indonesië om het traject Bogor-Bandoeng nog een keer per trein te kunnen afleggen. Zijn huisarts en behandelend psychiater hebben hem aangeraden die treinreis nog een keer te maken om te proberen van zijn fobie af te komen die is ontstaan in de Bersiap-tijd toen hij op het station in Buitenzorg met zijn familie getuige was van een door de Indonesiërs begonnen rel, die uitliep op een moordpartij. Toen appellant met zijn vrouw in Indonesië woonde (van 2005 tot januari 2009) was het nog niet mogelijk dat traject per trein af te leggen.

2.2.2. Gezien de aard van de gevraagde voorziening acht verweerder een vergoeding van reizen naar Indonesië op grond van artikel 32 van de Wubo slechts mogelijk als voor de reis een strikte medische noodzaak aanwezig is. Een dergelijke noodzaak acht verweerder slechts aanwezig als wordt voldaan aan richtlijnen die worden gehanteerd ten aanzien van therapeutische reizen, te weten:

a. er is sprake van onverwerkt verdriet, onverwerkte rouw en/of gevoelens van machteloosheid en vernedering die het leven ziekelijk beïnvloeden, en

b. het bezoek dient als (hiërarchisch) eindpunt van een therapeutisch behandelproces, en

c. na afloop van de reis vindt een evaluatie plaats.

De Raad heeft al meermalen uitgesproken een dergelijke benadering van verweerder, gelet op de aard van de gevraagde voorziening en de daarmee gemoeide kosten, in het algemeen niet onjuist of onredelijk te achten.

2.2.3. Op grond van de voorhanden zijnde gegevens stelt de Raad vast dat appellant vanwege zijn psychische klachten ten tijde van de aanvraag onder behandeling was en dat zijn huisarts en psychiater hem die reis hebben aangeraden. Er is echter niet gebleken dat de reis zal plaatsvinden in het kader van de afsluiting van een psycho-therapeutische behandeling op basis van een voorafgaand behandelplan. Naar het oordeel van de Raad is dan ook niet voldaan aan alle onder 2.2.2 weergegeven - strikte - voorwaarden voor toekenning van deze voorziening en heeft verweerder in de omstandigheden van dit geval geen aanleiding behoeven te zien om van deze gedragslijn af te wijken.

3. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

4. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2012.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

I. Mos.

De griffier is buiten staat te tekenen.

NK