Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0344

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2012
Datum publicatie
09-01-2012
Zaaknummer
10-6112 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wet WIA-uitkering. De medische grondslag van het bestreden besluit berust op een zorgvuldig onderzoek. Geen aanknopingspunten om de bezwaarverzekeringsarts niet in diens zienswijzen te volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6112 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 oktober 2010, 09/1443 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bouts. Namens het Uwv is drs. R. Spanjer verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker expeditie. Op 15 januari 2007 heeft hij zich ziek gemeld in verband met oogklachten. Naast de oogklachten is appellant bekend met diabetes mellitus. Voorts heeft hij long- en buikklachten, elleboogklachten, krachtsverlies in de rechterarm en rechterbeenklachten met name in de knie. Tevens heeft hij voetproblemen.

1.2. Bij besluit van 17 maart 2009 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat voor hem met ingang van 12 januari 2009 geen recht is ontstaan op uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 35% bedraagt.

2. Bij het besluit van 23 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van

17 maart 2009 ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat uit de veelvoud van de aanwezige medische stukken uit de behandelend sector niet is gebleken van andere of veel zwaardere beperkingen dan is aangenomen door de bezwaarverzekeringsarts in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 5 augustus 2010. Het besluit berust op een voldoende medische grondslag. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant ongeschikt te achten.

4. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Naar mening van appellant zijn de medische beperkingen onderschat en kan hij wel aanspraak maken op een gedeeltelijke dan wel gehele WIA-uitkering. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant een afschrift van een medisch journaal van de huisarts overgelegd. Dit betreft bezoeken aan de huisarts gedurende de periode van

1 december 2009 tot en met 9 december 2010. Tevens is overgelegd een brief van 12 februari 2011 van orthopedisch chirurg M.J.A. van de Linde, die appellant in juni 2010 heeft gezien in verband met de rechterknieklachten.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek.

De medische grondslag van het bestreden besluit steunt met name op het rapport van verzekeringsarts A.M.J.L. Erkens van 25 februari 2009. De verzekeringsarts heeft bij appellant een anamnese afgenomen, een lichamelijk onderzoek en een psychisch onderzoek verricht en het dossier bestudeerd. Voorts heeft hij informatie ingewonnen bij de huisarts van appellant en kennis genomen van de bevindingen van de behandelend KNO-arts, dermatoloog en orthopedisch chirurg. Van zijn bevindingen heeft de verzekeringsarts verslag gedaan. Hij heeft vervolgens beperkingen vastgesteld en deze neergelegd in een FML. Bezwaarverzekeringsarts J.W. Heijltjes heeft appellant op de hoorzitting gesproken en heeft vervolgens aanvullend onderzoek verricht. In zijn rapport van 8 juli 2009 gaat de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd in op de aangedragen bezwaren van appellant en bespreekt uitvoerig waarom deze bezwaren niet tot andere dan wel meer beperkingen leiden. Tot slot geeft de bezwaarverzekeringsarts aan dat er geen objectieve medische argumenten naar voren zijn gekomen om het advies van verzekeringsarts Erkens te herzien. De Raad heeft geen aanknopingspunten om de bezwaarverzekeringsarts niet in deze zienswijzen te volgen.

5.3. In het bijzonder zijn zulke aanknopingspunten ook niet gelegen in de overgelegde medische stukken in hoger beroep, waartoe de Raad opmerkt dat de informatie van de huisarts betrekking heeft op de periode december 2009 tot en met december 2010, derhalve geen betrekking heeft op de datum in geding. Ook de informatie van de orthopedisch chirurg leidt niet tot het oordeel dat met betrekking tot de datum in geding onvoldoende rekening is gehouden met de klachten van appellant. De orthopedisch chirurg vermeldt in zijn brief van 12 mei 2011 dat hij appellant in juni 2010 terugzag met vrijwel identieke klachten als voorheen. Deze klachten waren, gelet op de eerdere informatie van de orthopedisch chirurg, bekend bij de (bezwaar)verzekeringsartsen en zijn meegewogen bij het medisch onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid.

5.4. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) H.L. Schoor.

IvR