Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0341

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-01-2012
Datum publicatie
09-01-2012
Zaaknummer
10-5698 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning WGA-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht en aan stukken heeft overgelegd, bevat geen deugdelijke onderbouwing van haar stelling dat zij op de datum in geding volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5698 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 september 2010, 09/4288 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 november 2011 waar appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich, zoals tevoren is bericht, niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante heeft zich op 20 februari 2007 vanuit een werkloosheidssituatie ziek gemeld met psychische en lichamelijke (pijn)klachten alsmede migraineklachten.

1.2. Bij besluit van 17 februari 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 17 februari 2009 recht is ontstaan op een loongerelateerde uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van, eveneens, 17 februari 2009, heeft het Uwv een reïntegratievisie vastgesteld.

1.4. In bezwaar heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat ondanks diverse behandelingen er geen verbetering is opgetreden in haar medische situatie, waardoor sprake is van duurzame arbeidsbeperkingen en dat zij mitsdien in aanmerking had moeten worden gebracht voor een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering. Appellante heeft medische informatie uit de behandelend sector overgelegd van Mentrum, de behandelend orthopedisch chirurg, AMC De Meren en de fysiotherapeut.

1.5. Bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst heeft gelet op de reeds aanwezige en de in bezwaar overgelegde stukken, appellante op hoorzitting gezien en heeft nadien nog een aanvullend medische onderzoek verricht. De bezwaarverzekeringsarts komt naar aanleiding van zijn onderzoeksbevindingen en de beschikbare medische informatie tot de conclusie dat er aanleiding is af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts T. Altena zoals verwoord in de rapportage van 23 januari 2009. Hij komt tot aanzienlijk lichtere beperkingen dan door Altena is neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 22 januari 2009. Ook voor het aannemen van een urenbeperking van 20 uur per week ziet de bezwaarverzekeringsarts geen grond. Alleen de geringe lichaamslengte van appellante is reden om bij het Item “reiken” een lichte beperking op te nemen. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens de door hem vastgestelde beperkingen neergelegd in een FML van 27 juli 2009. Hiervan uitgaande heeft de bezwaararbeidsdeskundige W. Th. Pompe functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op minder dan 35%.

1.6. Bij besluit van 6 augustus 2009 (hierna: bestreden besluit) is, onder overweging dat in bezwaar niet ten nadele kan worden teruggekomen op het bestreden besluit, het primaire besluit van 17 februari 2009, strekkende tot toekenning aan appellante van een WGA-uitkering, gehandhaafd. Tevens is gehandhaafd het besluit van 17 februari 2009 waarbij een reïntegratievisie is vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid onderschreven.

3. In hoger beroep heeft appellante haar opvatting staande gehouden dat zij in aanmerking dient te komen voor een IVA-uitkering in verband met haar migraine en fibromyalgie. De laatst genoemde ziekte veroorzaakt veel pijnklachten in heel haar lichaam. Hierdoor, in combinatie met de migraine, acht appellante zich niet in staat structureel deel te nemen aan het arbeidsproces.

4.1. De Raad oordeelt als volgt.

4.2. Het hoger beroep van appellante slaagt niet. Er heeft een zorgvuldig medisch onderzoek plaatsgevonden door de (bezwaar)verzekeringsartsen waarbij de informatie van de behandelend sector uitdrukkelijk is meegewogen. Om voor een IVA-uitkering in aanmerking te komen moet de verzekerde zowel volledig als duurzaam arbeidsongeschikt zijn. De Raad wijst op het rapport van 23 januari 2009 van verzekeringsarts Altena, die na afname van anamnese, dossieronderzoek en na weging van de behandelend sector, gemotiveerd heeft aangegeven waarom hij appellante (gedeeltelijk) belastbaar acht voor arbeid en tot welke arbeidsbeperkingen hij in de FML van 22 januari 2009 is gekomen. De Raad onderschrijft de rapportage van deze verzekeringsarts. Tevens heeft de Raad de conclusies van bezwaarverzekeringsarts Hulst in zijn rapportage van 27 juli 2009, bij zijn oordeel betrokken. Hoewel de FML van 27 juli 2009 zoals vastgesteld door Hulst, niet aan het bestreden besluit ten grondslag ligt, komt hij in zijn rapportage tot aanzienlijk lichtere beperkingen dan waartoe verzekeringsarts Altena is gekomen. Tegenover deze twee rapportages ziet de Raad in hetgeen appellante thans in hoger beroep naar voren heeft gebracht en aan stukken heeft overgelegd, geen deugdelijke onderbouwing van haar stelling dat zij op de datum in geding volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. De Raad merkt nog op dat een enkele diagnosestelling, in het geval van appellante in het bijzonder de diagnose fibromyalgie waarop zij zich beroept, niet met zich brengt dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid.

4.3. In het voorgaande ligt tevens besloten dat het besluit van 17 februari 2009 waarin de reïntegratievise is vastgesteld, tegen welk besluit geen afzonderlijke bezwaren zijn aangevoerd, niet als onjuist kan worden beschouwd.

4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) H.L. Schoor.

KR