Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV0193

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-01-2012
Datum publicatie
05-01-2012
Zaaknummer
10-4728 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Niet voldaan is aan de voorwaarden van art. 43a WAO om na een verkorte wachttijd van vier weken tot een eventuele toekenning van een WAO-uitkering over te gaan omdat appellante per 30 augustus 2004 geschikt was voor het verrichten van haar arbeid. De letterlijke tekst van art. 43a WAO laat geen ruimte voor een andere uitleg dan te zien op de situatie dat een verzekerde na ommekomst van de in art. 19 WAO bedoelde wachttijd (nog) niet geschikt is voor het eigen werk en na het uitvoeren van een theoretische schatting al dan niet arbeidsongeschikt wordt bevonden in de zin van art. 18 WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4728 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 9 juli 2010, 10/98 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 4 januari 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2011. Namens appellante is verschenen mr. S.T. Dieters, advocaat te Hoogezand. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als consulente re-integratie en arbeidstoeleiding voor 28 uur per week. Vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet heeft zij zich op 1 september 2003 ziek gemeld.

1.2. Bij besluit van 18 juni 2004 heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van 30 augustus 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO) toe te kennen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 24 december 2004 ongegrond verklaard. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat in aansluiting op de wettelijk voorgeschreven wachttijd appellante niet arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO, omdat zij geschikt is de laatstelijk verrichte arbeid in volle omvang te verrichten. Bij uitspraak van 25 mei 2005, 05/257, heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 24 december 2004 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Op 9 mei 2006 heeft appellante zich opnieuw ziek gemeld. Met een beroep op de zogenoemde Amber-bepalingen heeft zij het Uwv verzocht in aanmerking te worden gebracht voor een WAO-uitkering.

1.4. Bij besluit van 12 oktober 2009 heeft het Uwv geweigerd met ingang van 6 juni 2006 een WAO-uitkering toe te kennen. Niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 43a van de WAO om na een verkorte wachttijd van vier weken tot een eventuele toekenning van een WAO-uitkering over te gaan omdat appellante per 30 augustus 2004 geschikt was voor het verrichten van haar arbeid. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 december 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 28 februari 2006, LJN AV3353, ongegrond verklaard en het besluit van 12 oktober 2009 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat met het besluit van 24 december 2004 is komen vast te staan dat appellante na het doorlopen van de wachttijd aansluitend geschikt is geacht voor het verrichten van het eigen werk van consulente re-integratie en arbeidstoeleiding in volle omvang. Van ongeschiktheid in de zin van artikel 43a van de WAO is bij appellante geen sprake geweest. De rechtbank heeft geconcludeerd dat appellante niet kan worden geacht te behoren tot de doelgroep waarop de bescherming van artikel 43a van de WAO ziet.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de omstandigheid dat in rechte is komen vast te staan dat na het doorlopen van de wachttijd zij aansluitend geschikt is geacht voor het verrichten van haar arbeid van consulente re-integratie en arbeidstoeleiding, uitsluitend van doen heeft met het feit dat zij niet tijdig beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 24 december 2004. Appellante is van mening dat zij op en na 30 augustus 2004 niet in staat was haar arbeid te verrichten. Appellante stelt zich op het standpunt dat in het onderhavige geding de ongeschiktheid voor het eigen werk per

30 augustus 2004 getoetst moet worden. Haar situatie wijkt af van die van de uitspraak van de Raad van 28 februari 2006.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad heeft in zijn eerder genoemde uitspraak van 28 februari 2006 geoordeeld dat de letterlijke tekst van artikel 43a van de WAO geen ruimte laat voor een andere uitleg dan te zien op de situatie dat een verzekerde na ommekomst van de in artikel 19 van de WAO bedoelde wachttijd (nog) niet geschikt is voor het eigen werk en na het uitvoeren van een theoretische schatting al dan niet arbeidsongeschikt wordt bevonden in de zin van artikel 18 van de WAO. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen.

4.2. Met het besluit van 24 december 2004 is komen vast te staan dat appellante na ommekomst van de wachttijd volledig geschikt is te achten voor haar eigen werk. De omstandigheid dat vanwege termijnoverschrijding de geschiktheid voor het eigen werk na ommekomst van de wachttijd in beroep door de bestuursrechter niet is getoetst, komt voor risico van appellante. Met de rechtbank concludeert de Raad, dat appellante niet geacht kan worden te behoren tot de doelgroep waarop de bescherming van artikel 43a van de WAO ziet.

4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) I.J. Penning.

IvR