Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BW0280

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2011
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
10-4105 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Schorsing en ontzegging toegang. Gezien de incidenten rond appellante konden deze maatregelen bij afweging van de betrokken belangen redelijkerwijs in het belang van de dienst worden genomen. 2) Ontslag wegens ongeschiktheid voor het ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Appellante heeft zich bij voortduring schuldig gemaakt aan roddel en achterklap die vooral op haar leidinggevenden betrekking hadden. Omdat (ook) de naaste collega’s daarvan niet gediend waren, heeft dit tot ernstige onderlinge spanningen geleid, dit te meer omdat appellante deze collega’s ook in hun privésfeer benaderde. Voldoende aannemelijk is ook dat de gedragingen van appellante van dien aard waren dat de onderlinge verhoudingen werden verstoord. Ontslag is niet onrechtmatig. 3) Besluit onbevoegdelijk genomen. Vernietiging met in standlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/64
Module Ambtenarenrecht 2013/1372
Module Ambtenarenrecht 2014/1431

Uitspraak

Uitspraak

10/4105 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 9 juni 2010, 10/1527 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Huishoudelijke Commissie van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (hierna: commissie)

Datum uitspraak: 10 november 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. C.W. Simonis, advocaat te Naaldwijk. De commissie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Nederhof en R. Prins, beiden werkzaam bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal (hierna: Eerste Kamer). Op verzoek van appellante is als getuige gehoord [naam getuige] te [woonplaats].

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was werkzaam bij de Eerste Kamer, laatstelijk in de functie van kamerbeambte in algemene dienst.

1.2. Bij besluit van 3 april 2009 is appellante met toepassing van artikel 121, eerste lid, aanhef en onder c, van het Ambtenarenreglement Staten-Generaal (ARSG) geschorst in de uitoefening van haar ambt voor de duur van een onderzoek naar incidenten waarbij appellante vermoedelijk was betrokken. Tevens is appellante hierbij met toepassing van artikel 112, eerste lid, van het ARSG met onmiddellijke ingang de toegang ontzegd tot de dienstlokalen, dienstgebouwen en/of het werk dan wel het verblijf aldaar.

Nadat appellante haar zienswijze had gegeven op het voornemen daartoe is appellante vervolgens bij besluit van 8 juli 2009 met toepassing van artikel 129, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARSG met ingang van 1 september 2009 eervol ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor het door haar beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Subsidiair is appellante hierbij met toepassing van artikel 131, eerste lid, van het ARSG ontslag verleend wegens verstoorde verhoudingen.

Bij het bestreden besluit van 12 januari 2010 zijn de besluiten van 3 april 2009 en 8 juli 2009 na door appellante gemaakte bezwaren gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

3.1. Allereerst merkt de Raad op dat zowel de primaire besluiten van 3 april 2009 en 8 juli 2009, als het bestreden besluit volgens het in deze besluiten gestelde, namens de commissie zijn genomen door een en dezelfde persoon, te weten de griffier van de Eerste Kamer. In artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is echter bepaald dat mandaat tot het beslissen op een bezwaarschrift niet wordt verleend aan degene die het besluit waartegen het bezwaar zich richt, krachtens mandaat heeft genomen. Eerst ter zitting is namens de commissie in dit verband verklaard dat het bestreden besluit in feite door de commissie zelf is genomen en de griffier dit besluit alleen maar heeft ondertekend. Deze verklaring is niet van enig bewijsstuk voorzien en is ook niet in overeenstemming met hetgeen is vermeld in het - ook in de ik-vorm opgestelde - bestreden besluit. Verder is deze verklaring ook niet te verenigen met de desgevraagd door de commissie aan de Raad gestuurde brief van 13 juni 2011 waarin de commissie het bestreden besluit uitdrukkelijk voor haar rekening neemt. Dit brengt de Raad tot het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met de hiervoor genoemde bepaling is genomen en vanwege dit bevoegdheidsgebrek niet in stand kan worden gelaten. De rechtbank heeft dit in de aangevallen uitspraak niet onderkend, zodat die uitspraak moet worden vernietigd. Gezien evenwel de brief van 13 juni 2011 zal de Raad - mede met het oog op de door partijen gewenste finale geschilbeslechting - bezien of er aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.2. Schorsing en ontzegging toegang.

3.2.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze maatregelen bij afweging van de betrokken belangen redelijkerwijs in het belang van de dienst konden worden genomen. De Raad stemt ook in met de overwegingen die de rechtbank aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd. Daaraan voegt de Raad nog toe dat zich een aantal, hierna te vermelden, incidenten rond appellante had afgespeeld en dat een collega van haar zeer kort vóór de datum van het primaire besluit te kennen had gegeven zich ernstig bedreigd te voelen door appellante.

3.3. Ontslag.

3.3.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 30 juli 2009, LJN BJ4952) moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar.

Het ongeschiktheidsontslag is in dit geval gebaseerd op de houding en het gedrag van appellante. Daarbij gaat het volgens de commissie om ongepast gedrag naar senatoren en ongepast gedrag naar collega’s. Ten gevolge van het optreden van appellante zijn naar de mening van de commissie ook ernstig verstoorde verhoudingen ontstaan.

3.3.2. De commissie stelt zich op het standpunt dat het ambtelijk personeel van de Eerste Kamer zich dienstbaar moet opstellen tegenover de senatoren en gepaste afstand dient te bewaren. Appellante heeft zich volgens de commissie niet aan deze gedragslijn gehouden. Zo heeft zij ongevraagd versnaperingen uitgedeeld aan senatoren, hen bij haar persoonlijke aangelegenheden betrokken en hen te amicaal bejegend door hen zelfs over de rug te wrijven.

Naar het oordeel van de Raad kan de commissie niet de bevoegdheid worden ontzegd van het personeel te verlangen dat het overeenkomstig voormelde gedragslijn handelt. Daarvan uitgaande moet worden geoordeeld dat appellante onder omstandigheden op een wat te familiaire wijze met senatoren is omgegaan. Anderzijds kan niet uit het oog worden verloren dat verscheidene senatoren hebben doen blijken bepaald te zijn ingenomen met appellante. Al met al is de Raad van oordeel dat appellante op dit punt weliswaar te kort is geschoten maar dat dit niet van zeer grote betekenis is.

3.3.3. Vanwege de commissie is voorts naar voren gebracht dat appellante zich ten opzichte van haar collega’s zeer ongepast heeft gedragen. Vanaf 2006 heeft zij zich bij voortduring schuldig gemaakt aan roddel en achterklap die vooral op haar leidinggevenden betrekking hadden. Omdat (ook) de naaste collega’s daarvan niet gediend waren, heeft dit tot ernstige onderlinge spanningen geleid, dit te meer omdat appellante deze collega’s ook in hun privésfeer benaderde. Als appellante op een en ander werd aangesproken ontkende zij veelal hetgeen zij had gedaan of gezegd.

De Raad overweegt dat uit de gedingstukken is op te maken dat appellante inderdaad gedurende enkele jaren zeer ongewenst en ongepast gedrag jegens collega’s heeft vertoond zoals door de commissie is aangevoerd. Een aantal collega’s heeft zich uitgelaten over concrete gedragingen van appellante, die als ongepast en ongewenst kunnen worden gekenmerkt. Een collega gaf zelfs aan zich ernstig door appellante bedreigd te voelen. Voldoende aannemelijk is ook dat de gedragingen van appellante van dien aard waren dat de onderlinge verhoudingen werden verstoord.

Uit de gedingstukken volgt ook dat appellante meer dan eens op het onjuiste van haar gedrag is gewezen en aldus voldoende gelegenheid heeft gehad dit gedrag bij te stellen. Zij heeft echter in haar gedrag volhard.

3.3.4. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de commissie zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat appellante de geschiktheid mist voor de uitoefening van haar functie. In verband hiermee is het ontslag van appellante op zichzelf bezien niet onrechtmatig te achten. De Raad ziet hierin aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand blijven.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de commissie op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van € 874,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 874,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

Veroordeelt de commissie in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 1.748,-;

Bepaalt dat de commissie aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 374,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2011.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) S. Werensteijn.

HD