Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BV8026

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
07-03-2012
Zaaknummer
10-3685 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens overtolligheid. Onvoldoende intern en extern herplaatsingsonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/39
Module Ambtenarenrecht 2013/1342
Module Ambtenarenrecht 2014/1428
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3685 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 mei 2010, 09/7092 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Defensie, thans de Minister van Defensie (hierna: minister)

Datum uitspraak: 6 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D. van Raaij. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H.G. Gilissen en mr. E.C.H. Pot, beiden werkzaam bij het ministerie van Defensie.

II. OVERWEGINGEN

1. Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd ten name van de Staatssecretaris van Defensie, is in verband met een wijziging van taken voortgezet ten name van de Minister van Defensie. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van minister, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de Staatssecretaris van Defensie.

2. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

2.1. Appellant is in 1987 in dienst getreden van het ministerie van Defensie en was laatstelijk aangesteld als beleidsmedewerker elektromagnetische onderwatersignaturen bij DMO-Zeesystemen. Bij besluit van 17 april 2007 is appellant met ingang van 1 juli 2007 aangewezen als herplaatsingskandidaat in de zin van het Sociaal beleidskader Defensie (hierna: SBK). Daarbij is vermeld dat het herplaatsingsonderzoek waarvoor appellant in aanmerking komt op 1 juli 2007 een aanvang neemt en “extern Defensie” zal plaatsvinden voor de duur van maximaal 24 maanden.

2.2. Bij besluit van 16 april 2009 heeft de minister appellant met ingang van 1 augustus 2009 eervol ontslag verleend wegens overtolligheid in de zin van artikel 116, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk ambtenarenreglement defensie (hierna: Bard). Het besluit van 16 april 2009 is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 augustus 2009 (hierna: bestreden besluit).

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.1. Het hoger beroep strekt in hoofdzaak ten betoge dat de minister onvoldoende herplaatsinginspanningen heeft gedaan. Appellant voert daartoe primair aan dat ten onrechte is afgezien van een intern herplaatsingsonderzoek. Subsidiair brengt appellant naar voren dat de minister ook wat betreft het externe herplaatsingsonderzoek onvoldoende inspanningen heeft gedaan.

4.2. De minister heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

5.1. Voor de Raad staat voldoende vast dat het bestreden besluit bevoegdelijk namens de minister is genomen door de directeur Defensie Materieel Organisatie (DMO). Gelet hierop kan in het midden blijven of het primaire besluit wel bevoegdelijk is genomen, aangezien volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 10 oktober 2002, LJN AE8966 en TAR 2003, 39) een aan het primaire besluit klevend bevoegdheidsgebrek geacht kan worden te zijn geheeld, indien de beslissing op bezwaar op correcte wijze door of namens het bevoegde orgaan is genomen.

5.2. Het in geding zijnde ontslag wegens overtolligheid berust op artikel 116, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bard. Op grond van het tweede lid van artikel 116 van het Bard kan een ontslag als hier aan de orde slechts plaatsvinden, indien het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken om de ambtenaar binnen het gezagsbereik van de minister, andere - mede in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden - voor hem passende werkzaamheden op te dragen, dan wel indien deze zodanige werkzaamheden weigert te aanvaarden. De minister was naar het oordeel van de Raad gelet hierop primair gehouden om (zorgvuldig) onderzoek te doen naar de mogelijkheid om appellant binnen het gezagsbereik van de minister te herplaatsen. Dit sluit aan bij paragraaf 3.6.2 van het SBK alwaar (evenzeer) uitdrukkelijk als uitgangspunt wordt genomen dat de minister eerst onderzoek dient te verrichten naar de mogelijkheid van interne herplaatsing.

5.3. De Raad is van oordeel dat, gelet op de ingrijpende gevolgen van een ontslag, aan het herplaatsingsonderzoek veel gewicht moet worden toegekend. Zeker gelet op de lange duur van het dienstverband van appellant rustte er een inspanningsverplichting van aanzienlijk gewicht op de minister.

5.4. Vast staat dat een intern onderzoek als onder 5.2 bedoeld in het geval van appellant achterwege is gebleven. Voor zover de minister betoogt dat appellant op grond van een met hem gemaakte (expliciete) afspraak heeft moeten begrijpen dat de mogelijkheid van een interne herplaatsing buiten beeld was geraakt, volgt de Raad de minister hierin niet. Het bestaan van een dergelijke afspraak is voor de Raad niet komen vast te staan. Appellant heeft uitdrukkelijk ontkend dat met hem zo’n afspraak is gemaakt en de minister heeft voor de juistheid van zijn andersluidende stelling geen bewijs aangedragen. Dat in het besluit van 17 april 2007 - tegen welk besluit appellant geen rechtsmiddel heeft aangewend - is vermeld dat het herplaatsingsonderzoek “extern Defensie” zal plaatsvinden doet aan het vorenstaande niet af. De Raad kan aan deze, terloopse, vermelding in het licht van hetgeen onder 5.2 geen doorslaggevende betekenis toekennen.

5.5. De Raad is verder met appellant van oordeel dat de minister ook wat betreft het externe herplaatsingsonderzoek onvoldoende herplaatsinginspanningen heeft gedaan. De gedingstukken laten zien dat appellant met name begeleiding is geboden bij de gewenning aan de nieuwe situatie alsmede het vergroten van zijn persoonlijke effectiviteit. Voorts is een door appellant ingediend verzoek om modules Nederlands Recht te mogen volgen aan de Open Universiteit door de minister gehonoreerd. De begeleiding in de laatste fase van het herplaatsingstraject is blijkens de Eindevaluatie KansRijk/Defensie van 27 maart 2009 beperkt gebleven tot “enerzijds, het handhaven van een goede structuur (verdeling studie- en werkzoekactiviteiten, bewaken van prioriteitstelling; timemanagement), anderzijds op het ondersteunen van het vinden van mogelijkheden voor werk en het begeleiden bij het uitvoeren van (eventueel verworven) opdrachten.” Aan de Raad is evenwel op geen enkele wijze kunnen blijken dat appellant op concrete vacatures is geattendeerd. Gelet op het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de minister niet heeft voldaan aan zijn in artikel 116, tweede lid, van het Bard vervatte verplichting. De minister was daarom niet bevoegd appellant te ontslaan op de gebezigde grond. De minister zal, alvorens opnieuw tot ontslag te kunnen overgaan, alsnog een deugdelijk herplaatsingsonderzoek moeten verrichten. Zo’n onderzoek zal zich in beginsel moeten uitstrekken over een periode van (ten minste) zes maanden.

5.4. Hieruit volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak evenals het bestreden besluit dat daarbij in stand is gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen. De Raad ziet voorts aanleiding het primaire ontslagbesluit van 16 april 2009 met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te herroepen.

6. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken. De Raad merkt in dit verband nog op dat, naar ter zitting is gebleken, de door

mr. Van Raaij aan appellant in hoger beroep verleende rechtsbijstand niet als beroepsmatig verleende rechtsbijstand kan worden aangemerkt.

7. Appellant heeft op grond van artikel 8:73 van de Awb verzocht de minister te veroordelen in de door hem geleden inkomensschade. De Raad overweegt dat appellant tengevolge van de herroeping van het ontslag recht heeft op betaling van bezoldiging. De Raad gaat er daarbij vanuit dat de minister over de wettelijke rente over die nabetaling zal vergoeden aan appellant. Onder die omstandigheden wijst de Raad het verzoek van appellant af.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Herroept het besluit van 16 april 2009;

Wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

Bepaalt dat de minister aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 374,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.C. Nijholt.

HD